ECLI:NL:RBZWB:2025:180
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en toepassing gelijkheidsbeginsel
Belanghebbende is eigenaar van een hoekwoning die door de heffingsambtenaar is gewaardeerd op €277.000 per 1 januari 2022, wat leidde tot een aanslag onroerendezaakbelasting voor 2023. Belanghebbende betwist deze waarde en stelt dat de woning maximaal €241.000 waard is, mede vanwege de ligging nabij een toegangsweg en afvalcontainers en de staat van onderhoud.
De rechtbank toetst de waardebepaling aan de hand van de Wet WOZ en de vergelijkingsmethode, waarbij referentiewoningen worden gebruikt die vergelijkbaar zijn qua type, bouwjaar en ligging. De heffingsambtenaar heeft met een taxatiematrix de waarde onderbouwd, waarbij correcties zijn toegepast voor verschillen in ligging, onderhoud en voorzieningen.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met de minder gunstige ligging en de staat van de woning. De procentuele stijging van de WOZ-waarde ten opzichte van het voorgaande jaar is niet relevant voor de waardebepaling. Tevens is geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel omdat de woningen niet identiek zijn en belanghebbende slechts één vergelijkingswoning aandraagt.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, de WOZ-waarde en aanslag blijven gehandhaafd en belanghebbende krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de aanslag OZB blijft gehandhaafd.