De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 25 april 2025 uitspraak gedaan in een meervoudige bestuursrechtelijke zaak betreffende naheffingsaanslagen omzetbelasting (OB) en boetes over de jaren 2018 tot en met 2022. Belanghebbende werd geconfronteerd met naheffingsaanslagen en boetes opgelegd door de inspecteur, mede gebaseerd op een strafrechtelijk onderzoek naar vermoedens van mensenhandel, verkoop van valse merkkleding en witwassen.
De inspecteur had naheffingsaanslagen en boetes opgelegd, deels verminderd na bezwaar. De rechtbank heeft beoordeeld of deze aanslagen en boetes terecht zijn opgelegd en of de bewijslast juist is toegepast. Voor 2018 en 2020 kon geen omkering van de bewijslast worden toegepast omdat belanghebbende niet was uitgenodigd tot aangifte, waardoor naheffingsaanslagen 2018 en 2020 gedeeltelijk of geheel zijn vernietigd. Voor 2019 was er wel omkering en verzwaring van de bewijslast, en de naheffingsaanslag bleef in stand.
De rechtbank achtte aannemelijk dat belanghebbende in 2018, 2019, 2021 en 2022 inkomsten uit illegale activiteiten had genoten, waaronder een kledinghandel met namaakartikelen. De boetes werden deels vernietigd of verminderd, mede vanwege overschrijding van de redelijke termijn ('undue delay'). Belanghebbende kreeg proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak bevat een uitgebreide motivering over bewijslast, omzetcorrecties, en de toepassing van fiscale wet- en regelgeving.