Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar door de Dienst Toeslagen, nadat de rechtbank in een eerdere uitspraak van 14 mei 2024 verweerder had opgedragen binnen acht weken te beslissen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is, omdat verweerder niet binnen de gestelde termijn heeft besloten. De rechtbank sluit aan bij een recente lijn van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarbij een nadere beslistermijn van zestig weken na het verstrijken van de wettelijke termijn geldt, tenzij deze termijn al is verstreken.
In dit geval is de nadere beslistermijn van zestig weken ruimschoots verstreken, zodat verweerder binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog moet beslissen. Voor elke dag overschrijding wordt een dwangsom van € 250,- opgelegd, met een maximum van € 37.500,-.
Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 23 april 2025.