Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd voor de verkrijging van aandelen in een onroerendezaakrechtspersoon met onbebouwde grond. Belanghebbende stelde dat de grond een bouwterrein was, waardoor de samenloopvrijstelling van de overdrachtsbelasting van toepassing zou zijn. De rechtbank oordeelde echter dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de grond op het moment van verkrijging kennelijk bestemd was om te worden bebouwd, mede omdat de bouwplannen niet onderbouwd waren met objectieve gegevens en pas jaren later werden gerealiseerd.
De rechtbank handhaafde daarom de naheffingsaanslag en de belastingrentebeschikking. De verzuimboete werd wel verminderd vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van circa drie maanden. Belanghebbende had geen afwezigheid van schuld of pleitbaar standpunt aangetoond. De rechtbank wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af en veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.