ECLI:NL:RBZWB:2025:3314
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen naheffingsaanslag BPM en toekenning immateriële schadevergoeding
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag BPM van € 4.926 opgelegd door de inspecteur. De rechtbank beoordeelde of het mandaatverbod was geschonden, de juistheid van de naheffingsaanslag en de mogelijkheid van immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank oordeelde dat het mandaatverbod niet was geschonden omdat de uitspraak op bezwaar door een andere functionaris dan degene die de aanslag oplegde was gedaan. De vastgestelde historische nieuwprijs van de auto bedroeg € 99.065. De rechtbank stelde vast dat belanghebbende de bewijslast voor de handelsinkoopwaarde niet had voldaan en volgde de inspecteur in de vaststelling van € 60.380. Tevens werd geen waardevermindering wegens schade aangenomen.
De naheffingsaanslag werd daarmee terecht opgelegd. Wel werd een immateriële schadevergoeding van € 500 toegekend wegens een overschrijding van de redelijke termijn met circa zes maanden. De proceskosten voor het verzoek tot vergoeding werden deels toegewezen. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar de schadevergoeding en proceskosten werden toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.