Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een administratieve sanctie opgelegd voor het parkeren in een parkeerverbodszone op 28 maart 2023 in Tilburg. Hij stelde beroep in tegen de boete, stellende dat de gedraging niet had plaatsgevonden en dat een schouwrapport ontbrak om de aanwezigheid van de borden te bevestigen.
De officier van justitie handhaafde de boete en verwees naar jurisprudentie waarin werd gesteld dat de verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende is om de gedraging vast te stellen, zeker gezien de korte afstand tussen de bebording en de pleeglocatie. De kantonrechter vond geen reden om aan de juistheid van de verklaring te twijfelen en oordeelde dat de boete terecht was opgelegd.
Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn van berechting was overschreden, aangezien de procedure langer dan twee jaar had geduurd. Daarom matigde de kantonrechter de boete met 25%. Tevens werd de officier van justitie veroordeeld tot het vergoeden van proceskosten van €453,50 voor de fase bij de kantonrechter.
De beslissing van de officier van justitie werd daarmee gewijzigd en de boete verlaagd. Betrokkene kreeg ook een bedrag terugbetaald dat hij te veel als zekerheidstelling had betaald.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wat betreft de gedraging, maar de boete wordt met 25% gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn.