ECLI:NL:RBZWB:2025:3428

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 mei 2025
Publicatiedatum
2 juni 2025
Zaaknummer
10895603 MB VERZ 24-74
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • W.H.C. van Eck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen verkeersboete wegens parkeren in parkeerverbodszone ongegrond met matiging boete wegens termijnoverschrijding

Betrokkene kreeg een administratieve sanctie opgelegd voor het parkeren in een parkeerverbodszone op 28 maart 2023 in Tilburg. Hij stelde beroep in tegen de boete, stellende dat de gedraging niet had plaatsgevonden en dat een schouwrapport ontbrak om de aanwezigheid van de borden te bevestigen.

De officier van justitie handhaafde de boete en verwees naar jurisprudentie waarin werd gesteld dat de verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende is om de gedraging vast te stellen, zeker gezien de korte afstand tussen de bebording en de pleeglocatie. De kantonrechter vond geen reden om aan de juistheid van de verklaring te twijfelen en oordeelde dat de boete terecht was opgelegd.

Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn van berechting was overschreden, aangezien de procedure langer dan twee jaar had geduurd. Daarom matigde de kantonrechter de boete met 25%. Tevens werd de officier van justitie veroordeeld tot het vergoeden van proceskosten van €453,50 voor de fase bij de kantonrechter.

De beslissing van de officier van justitie werd daarmee gewijzigd en de boete verlaagd. Betrokkene kreeg ook een bedrag terugbetaald dat hij te veel als zekerheidstelling had betaald.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wat betreft de gedraging, maar de boete wordt met 25% gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Zittingsplaats Tilburg
zaaknummer.: 10895603 \ MB VERZ 24-74
CJIB-nummer: 4062 5422 5707 2556
uitspraakdatum: 2 mei 2025
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam :
[betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : [gemachtigde]

Verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 2 mei 2025. Namens de officier van justitie is verschenen mr. E. Morsink (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde en betrokkene zijn niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.

Standpunten

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: een voertuig parkeren waar dat niet mag (bord E1, parkeerverbod(szone)) op de Veemarktstraat naast de V39 te Tilburg op 28 maart 2023 om 14:09 uur.
Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de gedraging niet is verricht. Dat betrokkene een bord E1-zone is gepasseerd op de door hem aangegeven route, blijkt niet uit het dossier. Op basis van de bestendige rechtspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden is dat wel vereist. De officier van justitie had de sanctie dan ook moeten vernietigen. Voorts verzoekt gemachtigde een proceskostenvergoeding.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe, onder verwijzing naar ECLI:NL:GHARL:2025:1575, het volgende aangevoerd. Anders dan de gemachtigde stelt, is niet altijd een schouwrapport nodig om met voldoende mate van zekerheid vast te stellen dat de bebording op het moment van de gedraging aanwezig was. Het tweede overzichtsarrest over de bebording (ECLI:NL:GHARL:2022:7804) wordt soms - ten onrechte - zo uitgelegd dat het al dan niet aanwezig zijn van de verbalisant in geval van een kom of zone niet langer relevant zou zijn. Dit ligt genuanceerder. Bij de bepaling in welke gevallen betekenis toekomt aan de aanwezigheid van de verbalisant, spelen onder meer de grootte van de betreffende kom of zone en waar de pleeglocatie is gelegen ten opzichte van de bebording een rol. Is sprake van een grote kom of zone met veel toegangswegen, dan ligt niet voor de hand dat de verbalisant (al) de borden heeft gecontroleerd. Uit de informatie die de verbalisant heeft overgelegd blijkt dat de afstand tussen de bebording waarlangs de bestuurder de zone is binnengereden en pleeglocatie relatief kort is. Gelet op het bovenstaande kan voldoende worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Wel is er sprake van overschrijding van de redelijke termijn, waardoor de zittingsvertegenwoordiger verzoekt de boete te matigen met 25%.

Overwegingen

De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht.
In zaken op grond van de Wahv biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van die verklaring of indien dergelijke feiten en omstandigheden uit het dossier blijken.
De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant.
Voorts is in dit geval het ontbreken van een schouwrapport geen reden voor twijfel aan de aanwezigheid van bebording gelet op de relatief kleine afstand tussen de gepasseerde
bebording en de pleeglocatie.
De boete is dus terecht opgelegd
Overschrijding redelijke termijn
Een ieder heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter tezamen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.
In dit geval is de boete opgelegd op 21 april 2023 en is de redelijke termijn dus met ruim een week overschreden.
Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd.
Nu de boete wordt gematigd is er aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarbij gaat het alleen om de kosten in de fase waarin de redelijke termijn is overschreden, dus de kosten van het beroep bij de kantonrechter.
De proceskostenvergoeding is als volgt berekend voor de fase bij de kantonrechter:
beroepschrift kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 907,- = € 453,50

Beslissing

De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 82,50 plus € 9,- administratiekosten;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 27,50, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.H.C. van Eck, kantonrechter, bijgestaan door de griffier L.I.M. Appels, en in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2025.
Als u het niet eens bent met deze beslissing , dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:
de boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 90008, 4800 PA Breda. Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.
U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Datum verzending: