Eiser heeft op 27 december 2022 een aanvraag ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade voor aanvullende schadevergoeding. Verweerder, Dienst Toeslagen, heeft niet tijdig op deze aanvraag beslist. Na ingebrekestelling op 11 maart 2025 en ontvangst daarvan op 13 maart 2025, verstreken twee weken zonder besluit.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en dat verweerder alsnog binnen een redelijke termijn moet beslissen. Gezien het grote aantal aanvragen acht de rechtbank een termijn van elf weken na verzending van deze uitspraak passend, aansluitend bij recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat verweerder de beslistermijn overschrijdt. Verweerder wordt ook veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser. De uitspraak is gedaan zonder zitting op 5 juni 2025.