Uitspraak
Datum uitspraak: 23 augustus 2023
BESTUURSRECHTSPRAAK
Raad van State
Deze zaak betreft het hoger beroep van de Belastingdienst/Toeslagen tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam die de dienst opdroeg binnen twee weken een besluit te nemen op bezwaar van ouders die compensatie vragen voor onterecht stopgezette kinderopvangtoeslag. De ouders hadden bezwaar gemaakt tegen besluiten waarbij compensatie was toegekend of geweigerd. De rechtbank oordeelde dat de dienst te laat was met het nemen van besluiten en legde een dwangsom op.
De Raad van State overweegt dat er onduidelijkheid bestaat over de termijn waarbinnen de Belastingdienst/Toeslagen een besluit moet nemen na een gegrond verklaard beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De Afdeling stelt daarom een nadere beslistermijn vast: twaalf weken na het verweerschrift, waarvan minimaal zes weken na verzending van de uitspraak op het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Indien de twaalf weken al verstreken zijn of geen verweerschrift is ingediend, geldt een termijn van zes weken na verzending van de uitspraak.
De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze een termijn van twee weken oplegde en bepaalt dat de dienst binnen zes weken na verzending van deze uitspraak besluiten moet nemen op de bezwaren van de ouders. Tevens legt zij een dwangsom op van € 100 per dag met een maximum van € 15.000 bij overschrijding van deze termijn. Daarnaast wordt de Belastingdienst/Toeslagen veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 1.674.
Deze uitspraak beoogt meer rechtszekerheid en eenduidigheid te brengen in de behandeling van compensatieverzoeken binnen de kinderopvangtoeslagaffaire.
Uitkomst: De Raad van State stelt een beslistermijn van zes weken vast voor de Belastingdienst/Toeslagen en vernietigt de kortere termijn van de rechtbank.