ECLI:NL:RBZWB:2025:4301
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling navordering en boete wegens verkapte winstuitdeling in rekening-courantverhouding
Belanghebbende, enig aandeelhouder en bestuurder van een BV, kreeg voor 2019 een navorderingsaanslag opgelegd wegens een vermeende verkapte winstuitdeling door een stijgende rekening-courantschuld. De inspecteur stelde dat de toename van de schuld een onttrekking aan het vermogen van de BV betekende, wat als dividend moest worden belast.
De rechtbank oordeelde dat de inspecteur terecht een nieuw feit kon aanvoeren op basis van gegevens die pas na het opleggen van de aanslag bekend werden, waardoor navordering mogelijk was. De vermeende daling van de schuld werd verworpen omdat eerdere dividenduitkeringen niet in mindering konden worden gebracht op de stijging in 2019.
De boete wegens grove schuld werd bevestigd, omdat belanghebbende zich bewust was van de gevolgen van zijn handelen en de inspecteur hem hierover al vanaf 2014 informeerde. Wel werd de boete met 5% verminderd vanwege een overschrijding van de redelijke termijn.
Daarnaast kende de rechtbank een immateriële schadevergoeding toe wegens de overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsprocedure. Het beroep werd verder ongegrond verklaard en de proceskosten werden deels vergoed.
Uitkomst: De navorderingsaanslag en belastingrente blijven in stand, de boete wordt verminderd tot € 8.002, en belanghebbende ontvangt een immateriële schadevergoeding van € 500.