Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag waterschapsbelastingen 2023 opgelegd door de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant. Na een eerdere niet-ontvankelijkverklaring en vernietiging van de uitspraak op bezwaar door de rechtbank, deed de heffingsambtenaar op 10 oktober 2024 een nieuwe uitspraak op bezwaar zonder belanghebbende te horen, die dit uitnodiging afwees.
De rechtbank stelde vast dat de heffingsambtenaar op dat moment formeel nog niet bevoegd was om een nieuwe beslissing te nemen vanwege een schorsend verzet van belanghebbende tegen een eerdere uitspraak. De uitspraak op bezwaar van 10 oktober 2024 was daardoor prematuur en gebrekkig.
Hoewel de verzetrechter had beslist de zaak niet terug te wijzen naar de heffingsambtenaar, oordeelde de rechtbank dat het gebrek hersteld moet worden via een bestuurlijke lus. De heffingsambtenaar moet binnen zes weken belanghebbende alsnog de gelegenheid geven om gehoord te worden en binnen tien weken rapporteren aan de rechtbank over eventuele wijzigingen.
De rechtbank houdt verdere beslissingen aan en benadrukt dat deze procedurele correctie in het belang is van een zorgvuldige en correcte procesgang, waarbij belanghebbende niet onnodig wordt benadeeld.