Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene is een administratieve sanctie opgelegd in de vorm van een verkeersboete. Hiertegen is beroep ingesteld bij de officier van justitie, die de beschikking vernietigde. Vervolgens werd beroep ingesteld bij de kantonrechter. Op de zitting van 28 mei 2025 was de gemachtigde van betrokkene niet aanwezig.
De gemachtigde voerde aan dat de officier van justitie ten onrechte heeft afgezien van het vaststellen van een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen. De kantonrechter overwoog dat de beslistermijn van 16 weken was overschreden, aangezien de beslissing pas op 12 januari 2023 werd verzonden terwijl de termijn op 8 oktober 2022 verstreek. De officier van justitie ontving een ingebrekestelling op 14 oktober 2022, waardoor een dwangsom voor 76 dagen verschuldigd is.
De dwangsom werd berekend op €1.442,- conform de wettelijke bepalingen. Betrokkene werd inhoudelijk niet in het gelijk gesteld, en het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen op grond van vaste rechtspraak. De kantonrechter stelde de dwangsom vast en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Officier van justitie is een dwangsom van €1.442,- verschuldigd; verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.