ECLI:NL:RBZWB:2025:4486
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag BPM en immateriële schadevergoeding na overschrijding redelijke termijn
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag BPM van € 6.434 opgelegd door de inspecteur vanwege een hogere CO2-uitstoot dan opgegeven. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht uitgaat van een CO2-uitstoot van 257 gr/km volgens de Scandinavische rekenmethode, en niet van de door belanghebbende bepleite gunstigere NEDC-methode. De rechtbank volgt de jurisprudentie van de Hoge Raad dat CO2-uitstoot een vast gegeven kenmerk is en niet als variabele kan worden gebruikt om lagere BPM te rechtvaardigen.
Daarnaast heeft belanghebbende onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat lager is dan € 21.000, waardoor de naheffingsaanslag terecht is vastgesteld. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Wel kent de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 2.000 toe vanwege de overschrijding van de redelijke termijn van behandeling van het bezwaar, waarbij de inspecteur en de Staat ieder voor de helft aansprakelijk worden gesteld.
Verder worden proceskosten en griffierechten vergoed aan belanghebbende. De uitspraak is gedaan door rechter S.J. Willems-Ruesink op 10 juli 2025 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard en belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.