ECLI:NL:RBZWB:2025:4990
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ongebruikelijke terbeschikkingstelling en immateriële schadevergoeding in belastingzaak over grondtransactie
De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 31 juli 2025 uitspraak gedaan in de belastingzaak waarin belanghebbende beroep instelde tegen aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 2015 en 2016. Centraal stond de vraag of sprake was van een ongebruikelijke terbeschikkingstelling (tbs) van onroerende zaken door ouders aan kinderen, zoals bedoeld in artikel 3.91, lid 3, Wet IB 2001.
De feiten betreffen een grondtransactie in 2007 waarbij ouders cultuurgrond met opstallen overdroegen aan hun kinderen tegen een prijs gebaseerd op de waarde in verpachte staat, met een regulier pachtrecht voor de moeder. De inspecteur kwalificeerde de situatie als een ongebruikelijke tbs, waarbij het resultaat uit deze terbeschikkingstelling in box 1 moest worden belast. De rechtbank volgde het oordeel van het Hof ’s-Gravenhage en de Hoge Raad dat het geheel van rechtshandelingen zich niet zou voordoen tussen derden zonder familiebanden, mede vanwege het ontbreken van een zakelijk doel en de leeftijd van de moeder.
Belanghebbende voerde aan dat de overdracht onderdeel was van bedrijfsopvolging met een zakelijk motief, maar de rechtbank vond dat onvoldoende aannemelijk. Ook de gestelde schending van het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat het onderzoek bij de moeder niet impliceerde dat de tbs aan de kinderen als zakelijk was beoordeeld.
De rechtbank stelde vast dat de aanslagen terecht zijn vastgesteld en wees de beroepen af. Wel kende zij belanghebbende een immateriële schadevergoeding van €1.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar- en beroepsfase, en een vergoeding van proceskosten. Verzoeken om aanvullende schadevergoedingen werden afgewezen wegens onbevoegdheid of omdat deze buiten de procedure vielen.
Uitkomst: De beroepen zijn ongegrond verklaard en belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding van €1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.