In deze zaak staat centraal of de Inspecteur terecht een navorderingsaanslag IB/PVV 2014 heeft opgelegd aan belanghebbende naar aanleiding van een grondtransactie in 2007 waarbij landbouwgrond aan de kinderen werd overgedragen met terugverpachting aan de moeder.
Het Hof oordeelt dat sprake is van een maatschappelijk ongebruikelijke terbeschikkingstelling, omdat de kinderen geen zakelijk doel hadden het landbouwbedrijf voort te zetten, de moeder op hoge leeftijd was en de pacht slechts voor een beperkte periode was overeengekomen. De overdracht leidde tot een aanzienlijke waardestijging ten gunste van de kinderen zonder zakelijk doel.
Verder heeft de Inspecteur ambtelijk verzuimd door de gegevens van de grondtransactie niet tijdig op te nemen in het dossier van de kinderen en daardoor geen nader onderzoek te verrichten naar de aangifte van belanghebbende. Dit ambtelijk verzuim verhindert navordering. De navorderingsaanslag en de beschikking belastingrente worden vernietigd en de proceskosten worden deels toegewezen.
Het hoger beroep van de Inspecteur wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 22 april 2020 wordt bevestigd. Het Hof veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten en heft griffierecht.