Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
(gemachtigde: mr. drs. [gemachtigde] , verbonden aan [bedrijf] )
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de WOZ-waarde van zijn woning in Breda, vastgesteld op 1 januari 2023 op €1.266.000. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarde na bezwaar. De rechtbank heeft de zaak op 12 juni 2025 behandeld en beoordeelt of de waarde te hoog is vastgesteld.
De waarde is bepaald via de vergelijkingsmethode met referentiewoningen die qua ligging, bouwjaar en oppervlakte vergelijkbaar zijn. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met verschillen tussen de woning en referentiewoningen. Daarnaast is het beroep ongegrond omdat de WOZ-waarde jaarlijks opnieuw wordt vastgesteld en niet afhankelijk is van voorgaande jaren.
Belanghebbende voerde ook aan dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, maar de rechtbank wijst dit af omdat de meerderheidsregel niet is overtreden. De WOZ-waarde en de aanslag OZB blijven gehandhaafd. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de aanslag OZB blijft gehandhaafd.