Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 augustus 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker,
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Samenvatting
Feiten en omstandigheden
.Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
- Op welke datum zou de nabetaling hebben plaatsgevonden (augustus of september 2019)?
- Hoe hoog zou de nabetaling zijn geweest als in augustus of september 2019 de nabetaling zou hebben plaatsgevonden?
- Hoeveel zou er daarna nog maandelijks aan WIA-uitkering (naar een uitkeringspercentage van 75%) zijn betaald?
- Wat zou er dan in totaal in 2019 aan reguliere uitkering en nabetaling zijn betaald?
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het verzoek van verzoekster niet ontvankelijk;
- bepaalt dat het UWV zal moeten uitrekenen wat verzoeker aan inkomstenbelasting had moeten betalen als de nabetaling in 2019 zou zijn gedaan;
- bepaalt dat het UWV de vergelijking zal moeten maken tussen de (fictieve) berekening van inkomstenbelasting over 2019 en het bedrag dat verzoeker in 2022 aan inkomstenbelastig heeft moeten betalen;
- bepaalt dat als het bedrag aan inkomstenbelasting in 2022 hoger is dan het (fictieve) bedrag aan inkomstenbelasting over 2019 het UWV dit verschil als schadevergoeding zal moeten betalen;
- wijst de overige verzoeken om schadevergoeding af;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51 aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.814 aan proceskosten aan verzoeker.