ECLI:NL:CRVB:2025:777
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering vergoeding immateriële schade wegens onvoldoende onderbouwing geestelijk letsel na blootstelling chroom-6
Appellant, werkzaam geweest als quality inspector op POMS-locaties waar blootstelling aan chroom-6 plaatsvond, verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens aantasting in zijn persoon. De staatssecretaris kende eerder een beperkte uitkering toe, maar wees een aanvullend verzoek af. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze weigering ongegrond.
In hoger beroep bracht appellant een psychiatrisch expertiserapport in dat volgens hem het geestelijk letsel voldoende onderbouwde. De Raad oordeelde echter dat het rapport onvoldoende concrete aanwijzingen bevatte voor een psychiatrische stoornis of excessieve angstklachten die het gevraagde letsel rechtvaardigen. Tevens werd overwogen dat de gevolgen van de normschending relatief gering zijn en geen aantasting in de persoon opleveren zoals bedoeld in artikel 6:106 BW Pro.
De Raad bevestigde het eerdere oordeel dat een ernstige schending van de zorgplicht door de staatssecretaris weliswaar bestaat, maar dat dit niet automatisch leidt tot vergoeding van immateriële schade zonder concrete en objectieve onderbouwing van geestelijk letsel. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de weigering van schadevergoeding gehandhaafd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep wijst het hoger beroep af en bevestigt de weigering van vergoeding immateriële schade wegens onvoldoende onderbouwing van geestelijk letsel.