De politie constateerde op 12 mei 2025 een hennepkwekerij in de woning van verzoeker met 200 planten en 6000 stekjes. De burgemeester sloot de woning op 14 augustus 2025 voor drie maanden vanwege de vermoedelijke rol in drugshandel en risico’s voor de openbare orde.
Verzoeker maakte bezwaar tegen de sluiting en vroeg om een voorlopige voorziening. Hij stelde dat de overtreding beëindigd was, er geen handel of overlast was gebleken en dat sluiting na vier maanden niet meer noodzakelijk of evenredig was. Ook bracht hij medische omstandigheden naar voren die een stabiele verblijfplaats vereisten.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting, maar dat de belangenafweging en evenredigheid niet waren aangetoond. De overtreding was beëindigd, er was geen bewijs van handel of overlast, en de woning stond niet bekend als drugspand. Het tijdsverloop maakte sluiting ongeschikt en niet noodzakelijk.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en het besluit tot sluiting geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar. De burgemeester werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.