Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag, maar dit beroep ingetrokken nadat de heffingsambtenaar de aanslag vernietigde. Belanghebbende verzocht vervolgens om veroordeling van de heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende is tegemoetgekomen door de aanslag te vernietigen, waardoor in beginsel proceskosten voor de beroepsfase worden toegekend. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die hiervan afwijken. De vergoeding voor de beroepsfase wordt vastgesteld op €453,50.
Het verzoek om vergoeding van kosten in bezwaar wordt afgewezen omdat belanghebbende zelf het bezwaarschrift heeft ingediend en de aanvullingen door gemachtigde niet voor vergoeding in aanmerking komen volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De rechtbank wijst er tevens op dat het griffierecht van €50,- door de heffingsambtenaar moet worden vergoed.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 16 september 2025 door rechter S.J. Willems-Ruesink.