ECLI:NL:RBZWB:2025:6387
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen verzuimboete inkomstenbelasting 2020, beroep tegen aanmaningskosten niet-ontvankelijk
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een verzuimboete van € 385 en aanmaningskosten van € 18 in verband met de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2020. De rechtbank beoordeelde het beroep tegen de boete en de ontvankelijkheid van het beroep tegen de aanmaningskosten.
De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen de aanmaningskosten niet-ontvankelijk is omdat belanghebbende geen tijdig beroep had ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de ontvanger. Ten aanzien van de verzuimboete stelde belanghebbende dat hij de aangifte tijdig had ingediend en dat persoonlijke omstandigheden niet waren meegewogen. De rechtbank stelde vast dat de aangifte pas op 17 mei 2023 werd ingediend, terwijl de uiterste termijn 22 juli 2022 was, en dat het vermoeden van ontvangst van uitnodiging, herinnering en aanmaning niet was ontzenuwd.
De rechtbank concludeerde dat de verzuimboete terecht was opgelegd, dat er geen sprake was van afwezigheid van alle schuld en dat de persoonlijke omstandigheden onvoldoende waren onderbouwd om matiging te rechtvaardigen. Ondanks een overschrijding van de redelijke termijn met circa zes maanden, achtte de rechtbank dit niet reden voor compensatie. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de boete bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de verzuimboete wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen de aanmaningskosten niet-ontvankelijk.