ECLI:NL:RBZWB:2025:6478
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen naheffingsaanslag BPM en kostenvergoeding in bezwaar
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM en de daarbij behorende kostenvergoeding. De inspecteur had de naheffingsaanslag verminderd na bezwaar, maar de kostenvergoeding voor de bezwaarfase werd betwist.
De rechtbank oordeelt dat het taxatierapport van belanghebbende niet kan worden gevolgd vanwege het niet naleven van de één maandtermijn en bevestigt dat de datum van inschrijving in het kentekenregister bepalend is voor de afschrijving volgens de forfaitaire tabel. De herleidingsmethode wordt verworpen op basis van een recent arrest van de Hoge Raad.
Verder wordt vastgesteld dat het mandaatverbod niet is geschonden bij het opleggen van de naheffingsaanslag en de uitspraak op bezwaar. De rechtbank verhoogt de kostenvergoeding voor de bezwaarfase naar het hoge tarief en wijst een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De totale proceskostenvergoeding voor de beroepsfase wordt vastgesteld op € 3.108 en het griffierecht van € 365 wordt aan belanghebbende vergoed. Het beroep wordt in zoverre gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar op dat punt vernietigd, voor het overige ongegrond.
Uitkomst: Beroep gegrond voor kostenvergoeding en immateriële schadevergoeding, naheffingsaanslag BPM bevestigd.