ECLI:NL:RBZWB:2025:7261
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting
Belanghebbende is eigenaar van een rijwoning uit 1973 met een woonoppervlakte van 99 m² en een perceel van 109 m². De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2022 vast op €275.000 en legde op basis daarvan de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2023 op. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze waarde, maar reageerde niet op het verzoek om aanvullende informatie. De heffingsambtenaar vaardigde daarop een informatiebeschikking uit, die onherroepelijk werd doordat belanghebbende hiertegen geen bezwaar instelde.
De rechtbank oordeelt dat door het niet reageren op de informatieverzoeken de bewijslast is verschoven en verzwaard naar belanghebbende, die nu overtuigend moet aantonen dat de WOZ-waarde onjuist is vastgesteld. De heffingsambtenaar heeft op basis van een taxatieverslag en een taxatiematrix de waarde redelijk geschat, waarbij geen waardedruk vanwege de ligging tegenover een school is meegenomen. Belanghebbende heeft zijn stellingen onvoldoende onderbouwd, ook het overgelegde taxatierapport voldoet niet aan de verzwaarde bewijslast.
De rechtbank concludeert dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. De aanslag OZB blijft gehandhaafd en belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug. De uitspraak is gedaan door rechter S.J. Willems-Ruesink en griffier W.M.C. Oomen op 28 oktober 2025.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de vastgestelde waarde van €275.000 blijft gehandhaafd.