ECLI:NL:RBZWB:2025:7262
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting woning
Belanghebbende is eigenaar van een twee-onder-een-kapwoning met een waarde vastgesteld op €465.000 per 1 januari 2022. De heffingsambtenaar legde op basis hiervan de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2023 op. Belanghebbende betwistte de waarde en stelde dat deze te hoog was vastgesteld, met name vanwege een gedateerde keuken, badkamer en ondergemiddelde duurzaamheid.
Tijdens de bezwaarprocedure reageerde belanghebbende niet op een verzoek om aanvullende informatie, waarna de heffingsambtenaar een informatiebeschikking uitvaardigde. Deze beschikking werd niet bestreden, waardoor de bewijslast verschoof naar belanghebbende, die nu overtuigend moest aantonen dat de WOZ-waarde onjuist was.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar op basis van een taxatieverslag en taxatiematrix een redelijke schatting had gemaakt. Belanghebbende heeft haar stellingen onvoldoende onderbouwd en voldeed niet aan de verzwaarde bewijslast. Daarom is het beroep ongegrond verklaard, blijven de WOZ-waarde en OZB-aanslag gehandhaafd en worden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en de aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de vastgestelde waarde van €465.000 blijft gehandhaafd.