Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar door de Dienst Toeslagen. De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken waarin een termijn is gesteld waarbinnen verweerder moest beslissen. Omdat verweerder niet binnen deze termijn heeft besloten, is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond.
De rechtbank legt op grond van artikel 8:55d Awb een nadere beslistermijn van twee weken op, aangezien meer dan zestig weken zijn verstreken sinds het verstrijken van de oorspronkelijke beslistermijn. Tevens wordt een dwangsom van €250 per dag met een maximum van €37.500 opgelegd om naleving te bevorderen.
Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via geanonimiseerde publicatie. De rechtbank sluit aan bij de lijn van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in vergelijkbare zaken over de Wet hersteloperatie toeslagen.