ECLI:NL:RBZWB:2025:7578

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
5 november 2025
Zaaknummer
BRE 24/5822 V
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzetuitspraak ongegrond inzake niet-ontvankelijkheid Woo-verzoek door Staatssecretaris van Financiën

In deze zaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 5 november 2025 uitspraak gedaan op het verzet van de opposant tegen een eerdere uitspraak van 7 juli 2025, waarin zijn beroep niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank heeft het verzet behandeld op 24 september 2025, waarbij de opposant aanwezig was, maar de Staatssecretaris van Financiën niet. De rechtbank heeft zich in deze uitspraak beperkt tot de vraag of de eerdere uitspraak terecht was, en heeft geconcludeerd dat het verzet ongegrond is. De opposant had in zijn beroep van 25 juli 2024 gesteld dat de Staatssecretaris niet tijdig had beslist op zijn Woo-verzoek. De rechtbank heeft vastgesteld dat de Staatssecretaris binnen de wettelijke termijn van twee weken na de ingebrekestelling op 6 augustus 2024 had beslist, namelijk op 8 augustus 2024. De rechtbank heeft verder opgemerkt dat er verwarring was ontstaan over de Woo-verzoeken van de opposant, aangezien er twee ondernemingen en twee verzoeken waren ingediend. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de Staatssecretaris feitelijk had beslist op het Woo-verzoek dat betrekking had op de tweede onderneming, en dat de opposant niet in zijn belangen was geschaad door de onduidelijkheid. De rechtbank heeft daarom de eerdere uitspraak in stand gelaten en het verzet ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/5822 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2025 op het verzet van

[opposant], uit [plaats] , opposant [1] ,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 7 juli 2025 in het geding tussen
opposant
en

de Staatssecretaris van Financiën.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 7 juli 2025 waarin de rechtbank het beroep van opposant niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 24 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft opposant deelgenomen. De staatssecretaris is niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 7 juli 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [2] is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van opposant
4. Het beroep van opposant van 25 juli 2024 ging over het niet op tijd beslissen op zijn verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo-verzoek) dat zag op het voorkomen van zijn [onderneming 2] in CAF (11).
De uitspraak van 7 juli 2025 [3]
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de staatssecretaris binnen twee weken na de ontvangst van de ingebrekestelling van 6 augustus 2024 alsnog heeft beslist, namelijk op 8 augustus 2024.

Heeft de staatssecretaris binnen twee weken beslist op het Woo-verzoek van opposant?

6. Opposant voert aan dat hij uit het besluit van 8 augustus 2024 in alle redelijkheid niet kon opmaken op welk Woo-verzoek de beslissing betrekking had. Er is immers sprake van twee ondernemingen en twee ingediende Woo-verzoeken (rechtbank: namens [onderneming 1] en namens [onderneming 2] ). Dat het om [onderneming 2] ging, kon opposant pas opmaken uit het verweerschrift van de staatssecretaris van 15 januari 2025, dat hij pas op 2 april 2025 heeft ontvangen. Volgens opposant heeft hij het beroep niet op tijd beslissen dan ook terecht ingesteld.
6.1.
De rechtbank stelt allereerst vast dat zowel door opposant als door de staatssecretaris fouten zijn gemaakt in de (interpretatie van de) toegestuurde stukken. Zo spreekt opposant in zijn beroepschrift van 25 juli 2024 over een Woo-verzoek van 21 mei 2024 (terwijl hij op deze datum geen Woo-verzoek met betrekking tot CAF(-11) heeft ingediend) en een herinnering op dit verzoek van 21 juni 2024. Opposant stuurt als bijlagen echter mee een Woo-verzoek van 10 juni 2024 en een herinnering van 10 juli 2024. In de – na indiening van het beroep verzonden – ingebrekestelling van 6 augustus 2024 verwijst opposant wederom naar die (foutieve) data zoals genoemd in zijn beroepschrift. Op 8 augustus 2024 volgt een besluit van de staatssecretaris. In dit besluit wordt niet vermeld op het Woo-verzoek van welke onderneming het betrekking heeft, maar wordt enkel verwezen naar een Woo-verzoek van 27 mei 2024 (ook dat blijkt echter een verkeerde datum te zijn, zoals hierna uiteen zal worden gezet).
6.2.
De rechtbank heeft de gang van zaken gereconstrueerd op basis van de gedingstukken en daaruit blijkt het navolgende:
6.2.1.
Op 27 mei 2024 heeft opposant een Woo-verzoek ingediend voor “
zijn onderneming” met betrekking tot het CAF of CAF-11 systeem. Opposant heeft daarbij niet met zoveel woorden vermeld op welke onderneming hij doelt. Uit de bijgevoegde uittreksels uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK-uittreksels) in combinatie met de in- en uitschrijvingsdatum die opposant in zijn Woo-verzoek noemt, blijkt echter dat dit verzoek betrekking had op de [onderneming 1]. [4]
6.2.2.
Op 10 juni 2024 heeft opposant een nagenoeg identiek Woo-verzoek ingediend, met dien verstande dat uit de genoemde inschrijfdatum in combinatie met het betreffende KvK-uittreksel blijkt dat dit verzoek betrekking had op de [onderneming 2] . [5]
6.2.3.
Op 6 augustus 2024 heeft opposant een ingebrekestelling verstuurd met als onderwerp “
WOO verzoek CAF vermelding [onderneming 2]”.
6.2.4.
Op 8 augustus 2024 heeft de staatssecretaris het verzoek om informatie over de vraag of de onderneming van opposant geregistreerd stond in het CAF of CAF-11 systeem afgewezen.
6.2.5.
Op 7 juli 2024 heeft de rechtbank zowel uitspraak gedaan in de onderhavige zaak (beroep niet-ontvankelijk) als in de parallel lopende zaak met zaaknummer 24/5821 (beroep gegrond) [6] .
6.3.
De rechtbank stelt vast dat de staatssecretaris in zijn besluit van 8 augustus 2024 doelde op het Woo-verzoek inzake [onderneming 2] . Hoewel daarbij wordt verwezen naar een verzoek van 27 mei 2024 (op welke datum een verzoek is ingediend inzake [onderneming 1]), heeft de staatssecretaris dus feitelijk beslist op het Woo-verzoek van 10 juni 2024. Dit blijkt uit de reactie van de staatssecretaris van 20 juni 2025 op vragen van de griffier, waarin hij verklaart dat bij nadere bestudering is gebleken dat sprake is van twee verschillende Woo-verzoeken. Aanvankelijk verkeerde de staatssecretaris namelijk in de veronderstelling dat de verzoeken van 27 mei en 10 juni 2024 om hetzelfde Woo-verzoek gingen (inzake [onderneming 2] ). Bovendien zijn beide partijen er in de onderhavige beroepsprocedure ook vanuit gegaan dat het besluit van 8 augustus 2024 zag op [onderneming 2] [7] en dat er (dus) nog niet was beslist op het verzoek inzake [onderneming 1]; in procedure 24/5821 is daarom het beroep gegrond verklaard en is de staatssecretaris opgedragen om alsnog te beslissen op het Woo-verzoek inzake het voorkomen van [onderneming 1] in CAF-11. [8]
6.4.
Aangezien de staatssecretaris aldus binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling heeft beslist op het Woo-verzoek dat ziet op het voorkomen van de [onderneming 2] in het CAF of CAF-11 systeem, heeft de rechtbank het beroep van opposant terecht niet-ontvankelijk verklaard. Dat het wellicht voor opposant niet meteen duidelijk was op welke onderneming het besluit zag, maakt dit niet anders. Immers, opposant had al vóór dat besluit een beroep niet tijdig beslissen ingediend en in zoverre is het door hem ingestelde beroep dus niet het gevolg van onduidelijkheid over het besluit. Het verzet slaagt dan ook niet.
6.5.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat eigenlijk, nadat in de beroepsprocedure bekend was geworden dat er al een besluit was genomen, aan opposant had moeten worden gevraagd of zijn beroep mede betrekking had op het alsnog genomen besluit. Indien dat het geval was, had artikel 6:20, vierde lid, Awb moeten worden toegepast. Opposant is daardoor echter niet in zijn belangen geschaad, aangezien hij ter zitting heeft verklaard dat hij standaard bezwaar maakt tegen besluiten van de staatssecretaris en dat er thans een bezwaarprocedure loopt tegen het besluit van 8 augustus 2024, zodat daarmee hetzelfde is bereikt als wanneer de rechtbank de beslissing ten aanzien van het alsnog genomen besluit had verwezen naar de staatssecretaris voor de bezwaarprocedure.

Conclusie en gevolgen

7. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om anders te oordelen dan in de uitspraak van 7 juli 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 5 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.De rechtbank heeft op 23 juni 2025 een afschrift van dit verzoek inclusief bijlagen ontvangen in de vorm van een bijlage bij de brief van de staatssecretaris van 19 juni 2025.
5.Een afschrift van dit verzoek (zonder bijlagen) zat als bijlage 15 bij het beroepschrift van opposant van 25 juli 2024. Als bijlage 20 was een KvK-uittreksel van [onderneming 2] bijgevoegd.
7.Daarbij zijn zij én de rechtbank er ten onrechte vanuit gegaan dat het verzoek inzake [onderneming 2] dateerde van 27 mei 2024.
8.Waarbij er ten onrechte vanuit is gegaan dat het verzoek inzake [onderneming 1] dateerde van 10 juni 2024.