Eiser verzocht het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Loon op Zand om handhavend op te treden tegen het weiden van paarden op percelen met de bestemming 'Natuur'. Het college legde een last onder dwangsom op gericht tegen de opslag van hooibalen, maar wees het handhavingsverzoek met betrekking tot het weiden van paarden af op grond van het vertrouwensbeginsel.
De rechtbank onderzoekt of het college terecht heeft geoordeeld dat overtreders gerechtvaardigd mochten vertrouwen op toestemming voor het weiden van paarden. Hierbij wordt het beginselplicht tot handhaving, het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel betrokken. De rechtbank constateert dat het college een toezegging heeft gedaan dat hobbymatig weiden is toegestaan, maar onvoldoende heeft gemotiveerd waarom dit hobbymatig zou zijn.
Daarnaast heeft het college in de belangenafweging niet de belangen van de natuurbestemming betrokken en ten onrechte meegewogen dat de bestemming mogelijk zou wijzigen. Ook is onjuist geoordeeld over het zicht van eiser op de paarden. De rechtbank stelt dat het college deze motiveringsgebreken moet herstellen en stelt een termijn van vier weken hiervoor. Tot die tijd worden verdere beslissingen aangehouden.