ECLI:NL:RBZWB:2025:8048

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
18 november 2025
Zaaknummer
24/4037
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening en terugvordering van WIA-uitkering na schending van inlichtingenplicht door eiser

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 18 november 2025, wordt de herziening en terugvordering van de WIA-uitkering van eiser behandeld. Eiser had zijn inlichtingenplicht geschonden door niet te melden dat hij meer uren werkte dan bij het UWV bekend was. Het UWV had echter een onjuiste schatting gemaakt van de gewerkte uren voor de periode van 1 maart 2022 tot en met 31 maart 2023. De rechtbank oordeelt dat eiser deels gelijk krijgt, omdat de herziening en terugvordering over deze periode niet standhouden. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het UWV op om een nieuw besluit te nemen, waarbij de herziening is gebaseerd op een schatting van 20 uur per week à het minimumloon. Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten van € 1.814,- en het griffierecht van € 51,- moet door het UWV worden vergoed. De uitspraak benadrukt de verantwoordelijkheden van zowel het UWV als de eiser in het kader van de Wet WIA en de gevolgen van het niet nakomen van de inlichtingenplicht.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/4037 WIA

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. B.J.P. Toonen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV; kantoor Breda), verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de herziening en terugvordering van eisers uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV de WIA-uitkering van eiser op goede gronden heeft herzien en teruggevorderd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden door niet te melden dat hij meer uren werkzaam was dan bij het UWV bekend was. Het UWV heeft echter een onjuiste schatting van de gewerkte uren gemaakt voor de periode van 1 maart 2022 tot en met 31 maart 2023. Eiser krijgt dus (deels) gelijk en het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. In een besluit van 11 oktober 2023 (primair besluit I) heeft het UWV de WIA-uitkering van eiser herzien over de periode van 1 september 2013 tot en met 31 maart 2023 en het te veel uitgekeerde bedrag van € 69.873,07 bruto teruggevorderd. In een afzonderlijk besluit van 19 oktober 2023 (primair besluit II) heeft het UWV de invordering aan eiser medegedeeld. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten.
2.1.
Met het besluit van 2 april 2024 (bestreden besluit) heeft het UWV de bezwaren van eiser (deels) gegrond verklaard. De periode van herziening is gewijzigd naar 10 september 2013 tot en met 31 maart 2023 en de hoogte van de terugvordering is gewijzigd naar € 69.668,25 bruto. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en namens het UWV drs. [persoon] .
2.3.
De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

Beoordeling door de rechtbank

Relevante feiten en omstandigheden
3. Het UWV heeft met ingang van 31 maart 2011 aan eiser een loongerelateerde uitkering in verband met Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) op grond van de Wet WIA toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Vervolgens heeft het UWV de loongerelateerde WGA-uitkering vanaf 3 juni 2013 omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering.
3.1.
Per 10 september 2013 is eiser gaan werken bij [bedrijf 1] B.V. ( [bedrijf 1] ). Eiser heeft sindsdien periodiek zijn loonstroken aangeleverd en het UWV heeft deze inkomsten telkens verrekend met zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering.
3.2.
In september 2022 heeft het UWV een anonieme melding ontvangen, waarin staat dat eiser sinds 2013/2014 drie tot zes dagen per week van 07:00 uur tot 17:30 uur en zo nu en dan ook in de avond zou werken in het [bedrijf 2] te [plaats] . Eiser zou – volgens de melder – naar eigen zeggen minstens 2000 euro per maand zwart verdienen. Hij zou ook elk jaar een nieuwe auto kopen en deze maandelijks met contant geld afbetalen. Naar aanleiding van deze melding is het UWV een onderzoek gestart. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in het rapport van 16 mei 2023.
3.3.
Na afronding van het onderzoek is het UWV overgegaan tot het nemen van primaire besluiten I en II. Naar aanleiding hiervan heeft eiser een betalingsregeling van
€ 376,- per maand getroffen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten, waarna het UWV is overgegaan tot het nemen van het bestreden besluit.
Standpunt van het UWV
4. Volgens het UWV is voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser over de periode van 10 september 2013 tot en met 31 maart 2023 meer op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht dan bij het UWV bekend was. Eiser heeft ondanks meerdere verzoeken geen overzicht verstrekt van de gemiddelde hoeveelheid aanwezige uren. Het is vaste rechtspraak dat als er geen gedegen administratie van de werkzaamheden is bijgehouden, het aanvaardbaar is dat het UWV uitgaat van geschatte uren. Het ontbreken van concrete verifieerbare gegevens van de werkzaamheden valt geheel binnen de risicosfeer van eiser. Gelet op de verklaring van eiser en de gedane waarnemingen heeft het UWV geschat dat eiser minstens 25 uur per week werkzaam is geweest. Hiermee heeft eiser in ieder geval het minimumloon kunnen verdienen. Op grond van de informatieplicht had eiser deze werkzaamheden moeten melden bij het UWV. Er zijn geen dringende redenen om (gedeeltelijk) van terugvordering af te zien, zodat het UWV gehouden is om de te veel betaalde uitkering van € 69.668,25 terug te vorderen.
Beroepsgronden
5. Eiser heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het UWV onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op geld waardeerbare werkzaamheden zijn verricht naast de reeds geregistreerde uren in de polisadministratie. Subsidiair heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat niet voor de gehele periode aannemelijk is gemaakt dat er meer op geld waardeerbare werkzaamheden zijn verricht dan is doorgegeven. Meer subsidiair heeft eiser aangevoerd dat het UWV de schatting van de meer gewerkte uren onbegrijpelijk heeft vastgesteld en gemotiveerd.
Relevant wettelijk kader
6. Op grond van artikel 27, eerste lid, van de Wet WIA, voor zover hier van belang, verstrekt een verzekerde, die recht heeft op een uitkering op grond van deze wet op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle informatie, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op uitkering, de hoogte of de betaling van de uitkering, aan het UWV.
6.1.
In artikel 76, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet WIA is bepaald dat het UWV een beschikking op grond van deze wet herziet of intrekt, indien als gevolg van het niet of niet volledig nakomen van de artikelen 27 tot en met 32 en de daarop berustende bepalingen het recht op uitkering niet of niet meer kan worden vastgesteld of ten onrechte is vastgesteld of de hoogte van de uitkering ten onrechte op een te hoog bedrag is vastgesteld.
6.2.
Op grond van artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA wordt een op grond van deze wet onverschuldigd betaalde uitkering door het UWV teruggevorderd.
Heeft eiser op geld waardeerbare werkzaamheden verricht naast de reeds in de polisadministratie geregistreerde uren?
7. De rechtbank stelt vast dat de periode in geding 10 september 2013 tot en met 31 maart 2023 is.
7.1.
Een besluit tot herziening en terugvordering van een uitkering is een belastend besluit waarbij het aan het UWV is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening en terugvordering is voldaan in beginsel op het UWV rust. Als het UWV aan deze bewijslast heeft voldaan, ligt het vervolgens op de weg van eiser om de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.
7.2.
Uit de verklaring van eiser van 1 maart 2023 en de waarnemingen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat eiser in de gehele hiervoor genoemde periode meer aanwezig was op zijn gewone werkplek bij de [bedrijf 1] dan bij het UWV bekend was. Als een betrokkene aanwezig is op zijn werkplek tijdens reguliere arbeidsuren, dan rechtvaardigt dit de vooronderstelling dat hij gedurende alle uren waarop hij daar aanwezig is op geld waardeerbare arbeid verricht. Dit is vaste rechtspraak. [1] In dit geval heeft eiser het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Het standpunt van eiser dat aan zijn aanwezigheid een sociaal aspect verbonden was en dat hij vaak aanwezig was bij de [bedrijf 1] om niet terug te vallen in zijn alcoholverslaving is onvoldoende om die vooronderstelling te weerleggen.
7.3.
Het beroep dat eiser heeft gedaan op de uitspraak van de CRvB van 22 juni 2021 [2] slaagt niet. In die zaak was de veronderstelling van het bestuursorgaan vrijwel uitsluitend gebaseerd op de verklaring van de betrokkene. In eisers geval heeft het UWV de veronderstelling mede gebaseerd op waarnemingen en de aan het UWV gedane melding, zodat het besluit een toereikende feitelijke grondslag heeft.
7.4.
Eiser heeft de inlichtingenverplichting geschonden door niet te melden dat hij meer uren bij de [bedrijf 1] werkzaam was dan bij het UWV bekend was. Door die schending van de inlichtingenverplichting is de uitkering van eiser te hoog vastgesteld. Het UWV was daarom gehouden de uitkering te herzien en tot terugvordering over te gaan.
Heeft het UWV de schatting van de inkomsten begrijpelijk vastgesteld en gemotiveerd?
8. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB [3] is het UWV in een geval waarin de betrokkene geen concrete, verifieerbare gegevens over zijn werkzaamheden en inkomen heeft verschaft, bevoegd om dat inkomen schattenderwijs vast te stellen. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit de omvang van de werkzaamheden of het inkomen blijkt. Daarom mocht het UWV het inkomen van eiser schatten.
8.1.
Het UWV is in het bestreden besluit ervan uitgegaan dat eiser in de periode van 10 september 2013 tot en met 31 maart 2023 minstens 25 uur per week werkzaam is geweest bij de [bedrijf 1] en dat hij hiermee minimaal het minimumloon heeft verdiend. Gelet op eisers verklaring tijdens het gesprek op 1 maart 2023, dat hij vóór maart 2022 vijf dagen per week en gemiddeld vijf uur per dag bij de [bedrijf 1] aanwezig was, is naar het oordeel van de rechtbank de schatting van het UWV over de periode van 10 september 2013 tot maart 2022 voldoende zorgvuldig tot stand gekomen.
8.2.
De rechtbank stelt voorop dat eiser (ook in beroep) geen concrete en controleerbare gegevens over zijn werkzaamheden over de periode in geding heeft verstrekt. Eiser heeft verklaard geen administratie te hebben bijgehouden. De gevolgen hiervan moeten op grond van vaste rechtspraak voor zijn rekening en risico blijven. [4]
8.3.
Naar het oordeel van de rechtbank kan de schatting van 25 uur per week niet worden gevolgd voor de periode van 1 maart 2022 tot en met 31 maart 2023. Het UWV heeft niet kunnen toelichten waar zij dit standpunt op heeft gebaseerd. Voor deze periode kan naar het oordeel van de rechtbank wel worden aangesloten bij eisers verklaring dat hij in die periode gedurende vier dagen per week in totaal 15 tot 20 uur per week werkte. De rechtbank gaat daarom voor de periode van 1 maart 2022 tot en met 31 maart 2023 uit van een schatting van 20 uur per week.
8.5.
Gelet op het voorgaande kunnen de herziening en daarmee de terugvordering over de periode van 1 maart 2022 tot en met 31 maart 2023 geen standhouden.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover dit ziet op de herziening en terugvordering over de periode van 1 maart 2022 tot en met 31 maart 2023.
9.1.
De rechtbank beschikt niet over de gegevens om geheel zelf in de zaak te voorzien. Daarom wordt volstaan met de opdracht aan het UWV om een nieuw besluit op bezwaar te nemen waarbij de herziening van eisers uitkering over de periode van 1 maart 2022 tot en met 31 maart 2023 is gebaseerd op een schatting van 20 uur per week à het minimumloon. Op basis daarvan moet het nieuwe terugvorderingsbedrag worden berekend. De rechtbank geeft het UWV hiervoor zes weken.
9.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover dit ziet op de herziening en terugvordering over de periode van 1 maart 2022 tot en met 31 maart 2023;
- draagt het UWV op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, voorzitter, en mr. J.W. Ponds en mr. S.C.S. van Bree, leden, in aanwezigheid van J. Boer-IJzelenberg, griffier, op 18 november 2025 en geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 29 maart 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:871.
2.Zie de uitspraak van de CRvB van 22 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1548.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak de CRvB van 28 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:833.
4.Zie de uitspraak van de CRvB van 20 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2083.