ECLI:NL:RBZWB:2025:8451

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
1 december 2025
Publicatiedatum
1 december 2025
Zaaknummer
BRE 25/2682
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:54 AwbArt. 22j AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens niet-ontvankelijkheid bezwaar overdrachtsbelasting door termijnoverschrijding

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaar tegen de aanslag overdrachtsbelasting door de inspecteur. De rechtbank oordeelt dat het bezwaar te laat is ingediend, namelijk ruim negen maanden na de afdracht van de belasting, terwijl de wettelijke termijn zes weken bedraagt.

Belanghebbende voerde aan dat zij pas na de overdracht op de hoogte was van het mogelijke recht op het lage tarief en dat persoonlijke omstandigheden, waaronder het overlijden van haar zus, haar belemmerden tijdig bezwaar te maken. De rechtbank acht deze omstandigheden onvoldoende om de termijnoverschrijding te verontschuldigen, mede omdat belanghebbende werd bijgestaan door een notaris die geacht wordt de bezwaartermijn te kennen.

De rechtbank concludeert dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard en verklaart het beroep ongegrond. Het bestreden besluit blijft daarmee in stand en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het bezwaar niet tijdig is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/2682

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 9 mei 2025 met [beschikkingsnummer] . Het beroep ziet op de voldoening op de aangifte overdrachtsbelasting.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De inspecteur heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar niet tijdig was ingediend. De rechtbank komt tot het oordeel dat het bezwaar te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De inspecteur heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
Toetsingskader
3. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de van de voldoening, de inhouding of de afdracht. [2]
Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [3] Wanneer het bezwaarschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone post [4] wordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn onder voorwaarden ook tijdig ingediend. [5] Die voorwaarden zijn dat het bezwaarschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij het bestuursorgaan is ontvangen.
3.1.
Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [6]
Is het bezwaarschrift te laat ingediend?
3.2.
Vast staat dat de voldoening op 26 augustus 2024 heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigde dus op 7 oktober 2024. Het bezwaarschrift is bij de inspecteur ontvangen op 26 maart 2025. Het bezwaarschrift is dus niet tijdig ingediend.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
4. Belanghebbende heeft hiervoor de volgende redenen gegeven. Belanghebbende is pas na de overdracht van overdrachtsbelasting te weten gekomen dat zij mogelijk recht had op het lage tarief voor de overdrachtsbelasting. Belanghebbende vraagt om rekening te houden met het ontbreken van correcte begeleiding van de notaris, de persoonlijke omstandigheden in verband met het overlijden van haar zus, de koop van de eerste woning en het direct optreden nadat belanghebbende de kennis heeft vernomen.
5. De rechtbank is van oordeel dat ook gelet op deze omstandigheden de termijnoverschrijding aan belanghebbende is toe te rekenen. Ingeval een belanghebbende wel in staat is geweest om binnen de wettelijke termijn bezwaar te maken, zoals hier het geval, maar dat niet heeft gedaan omdat zij daartoe toentertijd geen reden had, kan een nadien opgekomen reden, zoals een wijziging in juridisch inzicht, niet bewerkstelligen dat een inmiddels niet-verschoonbare termijnoverschrijding alsnog verschoonbaar wordt. [7] De omstandigheid dat zij dus pas later via buren heeft vernomen van het verlaagde tarief voor de overdrachtsbelasting, kan dus geen verschoonbare termijnoverschrijding opleveren.
6. De rechtbank begrijpt dat belanghebbende door moeilijke omstandigheden moest met betrekking tot het overlijden van haar zus en dat zij daardoor op dat moment minder aandacht had voor de fiscale gevolgen van de aankoop van de woning. Zij werd echter wel bijgestaan door de notaris die geacht wordt bekend te zijn met de bezwaartermijn en die haar daarop had moeten wijzen. Daarnaast constateert de rechtbank dat belanghebbende ruim negen maanden na de afdracht van de overdrachtsbelasting pas een bezwaarschrift heeft ingediend. De rechtbank acht niet aannemelijk dat belanghebbende in de gehele tussentijd als gevolg van het overlijden van haar zus niet in staat was een bezwaarschrift in te dienen.

Conclusie en gevolgen

7. Het bezwaar is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
R.P.A.G. Dekkers, griffier, op 1 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb.
2.Dit volgens artikel 22j van de AWR
3.Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
4.Onder gewone post wordt verstaan door PostNL of door ieder ander bij de Autoriteit Consument en Markt geregistreerd postvervoerbedrijf.
5.Dit volgt uit artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.
6.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.
7.Vgl. Hoge Raad 28 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW4062, Hoge Raad 11 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1368.