ECLI:NL:RBZWB:2025:8492

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
24/7067 en 24/7068
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Lasten onder dwangsom voor het overschrijden van de geluidsnormen van het Activiteitenbesluit milieubeheer

Op 2 december 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in de zaken van BTT Real Estate B.V. en BTT Multimodial Container Solutions B.V. tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg. De eisers, beide bedrijven uit Tilburg, waren het niet eens met de aan hen opgelegde lasten onder dwangsom wegens het overschrijden van geluidsnormen zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit milieubeheer. De rechtbank heeft de beroepen van de eisers ongegrond verklaard, wat betekent dat de lasten onder dwangsom in stand blijven. De rechtbank oordeelde dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de lasten op te leggen, gezien de meetresultaten die overschrijdingen van de geluidsnormen aantoonden. De rechtbank heeft ook de argumenten van de eisers over de noodzaak van een waarschuwingsbrief en de evenredigheid van de opgelegde lasten beoordeeld. De rechtbank concludeerde dat het college niet in strijd heeft gehandeld met de Landelijke Handhavingsstrategie en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die het college zouden hebben moeten weerhouden van handhaving. De uitspraak benadrukt het belang van handhaving van geluidsnormen en de verantwoordelijkheden van bedrijven in dit kader.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 24/7067 en 24/7068

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 december 2025 in de zaak tussen

BTT Real Estate B.V. en BTT Multimodial Container Solutions B.V., uit Tilburg, eisers
(gemachtigde: mr. A.J.H.W. Coppelmans),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, het college.
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [de vereniging] uit Tilburg (de vereniging).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de lasten onder dwangsom die aan eisers zijn opgelegd voor het overschrijden van de geluidsnormen. Eisers zijn het niet eens met deze lasten onder dwangsom. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten om aan eisers een last onder dwangsom op te leggen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de twee lasten onder dwangsom aan eisers heeft kunnen opleggen. Eisers krijgen dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 12 april 2022 heeft de vereniging een handhavingsverzoek ingediend bij het college tegen BTT Real Estate B.V. omdat zij de maximale geluidsniveaus van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit) zou overschrijden. Bij het besluit van 20 december 2023 heeft de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB) namens het college aan BTT Real Estate B.V. een last onder dwangsom opgelegd. Bij een tweede besluit van 20 december 2023 heeft de OMWB namens het college ambtshalve ook een last onder dwangsom opgelegd aan BTT Multimodial Container Solutions B.V. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen deze besluiten.
2.1.
Met de bestreden besluiten van 28 augustus 2024 heeft het college de bezwaren van eisers ongegrond verklaard en de lasten in stand gelaten. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 9 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens eisers [persoon 1] en [persoon 2] , bijgestaan door hun gemachtigde. Namens het college zijn verschenen [persoon 3] , [persoon 4] en [persoon 5] . De vereniging heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon 6] .

Beoordeling door de rechtbank

De feiten
3. BTT Real Estate B.V. exploiteert een op- en overslagterrein van containers aan de [adres 1] . BTT Multimodial Container Solutions B.V. exploiteert een containerterminal voor het laden en lossen van binnenvaartschepen aan de [adres 2] . De bedrijven aan de [adres 1] en de [adres 2] zijn naast elkaar gevestigd.
3.1.
In de periode van 31 augustus 2021 tot en met 16 september 2021 heeft de OMWB geluidsmetingen verricht vanwege aanhoudende klachten van omwonenden over geluidsoverlast afkomstig van [adres 1] en [adres 2] . Deze geluidsmetingen zijn vastgelegd in de rapportage van 24 november 2021 (Rapportage 2021).
3.2.
Op 2 december 2021 heeft de OMWB brieven verstuurd aan [bedrijf 1] B.V. over de [adres 1] en aan BTT Multimodial Container Solutions B.V. over de [adres 2] . In deze brieven heeft de OMWB gewezen op de in Rapportage 2021 gemeten overschrijdingen van de maximale geluidsniveaus zoals opgenomen in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit. De bedrijven worden verzocht om passende maatregelen te treffen zodat sprake is van een structurele naleving van de van toepassing zijnde geluidsnormen.
3.3.
Op 12 april 2022 heeft de vereniging een handhavingsverzoek ingediend tegen BTT Real Estate B.V. ( [adres 1] ). De vereniging heeft het college hierin verzocht om BTT Real Estate B.V. op te dragen om het neerzetten en verplaatsen van containers in de avond te staken en gestaakt te houden totdat structurele maatregelen zijn genomen om piekgeluiden te voorkomen.
3.4.
Op 28 juli 2022 heeft de OMWB namens het college aan BTT Real Estate B.V. het voornemen kenbaar gemaakt om een last onder dwangsom op te leggen wegens twee overschrijdingen van de maximale geluidsniveaus aan de [adres 1] . Deze overschrijdingen heeft de OMWB gebaseerd op de rapportage van 15 juli 2022 met geluidsmetingen in de periode van 25 mei 2022 tot en met 7 juni 2022 (Rapportage 2022). Inmiddels zijn partijen het erover eens dat in 2022 geen sprake is van overschrijdingen.
3.5.
Op 29 augustus 2023 heeft de OMWB namens het college aan BTT Real Estate B.V. het voornemen kenbaar gemaakt om een last onder dwangsom op te leggen wegens vier overschrijdingen van de maximale geluidsniveaus aan de [adres 1] . Op dezelfde dag heeft de OMWB namens het college aan BTT Multimodial Container Solutions B.V. het voornemen kenbaar gemaakt om een last onder dwangsom op te leggen vanwege twee overschrijdingen aan de [adres 2] . Deze overschrijdingen heeft de OMWB gebaseerd op de rapportage van 15 augustus 2023 met geluidsmetingen in de periode van 7 april 2023 tot en met 30 april 2023 (Rapportage 2023). Eisers hebben op deze voornemens gereageerd met zienswijzen voorzien van een second opinion van [bedrijf 2] .
3.6.
In twee besluiten van 20 december 2023 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd aan BTT Real Estate B.V. ( [adres 1] ) voor vier overschrijdingen en aan BTT Multimodial Container Solutions B.V. ( [adres 2] ) voor twee overschrijdingen van het maximale geluidsniveau. De lasten houden in dat eisers afdoende maatregelen en/of voorzieningen dienen te treffen ter voorkoming van verdere overtredingen door het overschrijden van het maximale geluidsniveau. De lasten zijn voor onbepaalde tijd in werking, maar uit het besluit blijkt dat na een jaar zonder verbeuren van dwangsommen een verzoek tot intrekking kan worden ingediend.
3.7.
Eisers hebben elk een bezwaarschrift ingediend tegen de aan hen opgelegde last.
3.8.
Op 28 augustus 2024 heeft het college de bestreden besluiten genomen waarin de bezwaren ongegrond zijn verklaard en de lasten onder dwangsom in stand zijn gelaten. Eisers hebben hiertegen elk een beroepschrift ingediend.
De bestreden besluiten
4. Het college heeft aan de bestreden besluiten ten grondslag gelegd dat eisers, gelet op de meetresultaten in Rapportage 2023, de maximale geluidsniveaus van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit hebben overschreden. Er is dan ook sprake is van overtredingen. Het college heeft een belangenafweging uitgevoerd en heeft daarbij geconcludeerd dat geen sprake is van een bijzondere omstandigheid om af te zien van handhavend optreden.
Toetsingskader
5. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (Ow) en de Invoeringswet Omgevingswet (Iw Ow) in werking getreden. Als voor de inwerkingtreding van afdeling 18.1 van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, én voor de inwerkingtreding van die afdeling een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft het oude recht op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Iw Ow. De lasten onder dwangsom zijn opgelegd op 20 december 2023 en dus is het oude recht van toepassing.
5.2.
In artikel 2.17, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit is bepaald dat het maximaal geluidsniveau veroorzaakt door activiteiten door en binnen een inrichting, niet hoger mag zijn dan de waarden die zijn aangeven in tabel 2.17a.
5.3.
Voor het invullen van het vergunning-, toezicht en handhavingsbeleid maakt de gemeente Tilburg onder andere gebruik van de Landelijke Handhavingsstrategie 2014 (LHS). [1]
Niet in geschil
6. Tussen partijen is niet meer in geschil dat uit Rapportage 2021 volgt dat voor zowel BTT Real Estate B.V. ( [adres 1] ) als BTT Multimodial Container Solutions B.V. ( [adres 2] ) sprake is van één overschrijding van de maximale geluidsniveaus zoals bedoeld in tabel 2.17a van het Activiteitenbesluit. Ook is niet meer in geschil dat uit Rapportage 2023 volgt dat in 2023 voor BTT Real Estate B.V. sprake is van vier overschrijdingen en voor BTT Multimodial Container Solutions B.V. sprake is van twee overschrijdingen. Ten slotte staat niet ter discussie dat sprake is van inrichtingen en dat de geluiden worden veroorzaakt door in de inrichting aanwezige installaties en toestellen en/ of door in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting.
6.1.
Gelet op het voorgaande staat vast dat eisers artikel 2.17, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit hebben overtreden. Het college is dus in beginsel bevoegd is om een last onder dwangsom op te leggen op grond van artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 18.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer.
Moest het college een waarschuwingsbrief verzenden?
7. Eisers voeren aan dat uit de interventiematrix van de LHS volgt dat het college eerst een waarschuwingsbrief had moeten versturen voordat rechtmatig een last onder dwangsom kon worden opgelegd. Eisers vallen namelijk onder segment A3 van de matrix.
BTT Real Estate B.V. ( [adres 1] ) stelt nog geen waarschuwingsbrief te hebben ontvangen. De brief van 2 december 2021 is namelijk geen waarschuwingsbrief in de zin van de LHS omdat geen termijn wordt genoemd en omdat geen opvolgende interventies worden aangekondigd. Bovendien blijkt niet uit de tekst van deze brief zelf dat het gaat om een waarschuwing. De voornemens van 28 juli 2022 en 29 augustus 2023 kwalificeren ook niet als waarschuwingsbrief omdat deze de strekking hebben om een last onder dwangsom op te leggen. BTT Multimodial Container Solutions B.V. ( [adres 2] ) stelt ook nog geen waarschuwingsbrief te hebben ontvangen. Zij is namelijk voor het eerst aangeschreven met het voornemen van 29 augustus 2023 om een last onder dwangsom op te leggen, omdat het voornemen van 28 juli 2022 niet aan haar was gericht. Een voornemen kwalificeert niet als waarschuwingsbrief omdat deze de strekking heeft om een last onder dwangsom op te leggen.
Eisers wijzen er op dat uit vaste rechtspraak volgt dat het college in beginsel moet handelen conform beleid. [2] Het college heeft niet toegelicht dat sprake is van een uitzonderingssituatie zoals bedoeld in artikel 4:84 van de Awb. Daarnaast laat de LHS niet toe om af te wijken van het uitgangspunt om eerst een waarschuwing te geven, gelet op de rechtszekerheid. Het college mocht dus niet het versturen van een waarschuwingsbrief overslaan.
7.1.
Het college betwist niet dat segment A3, zoals bedoeld in de interventiematrix van figuur 3 van de LHS, van toepassing is. Het college betwist wel dat uit de LHS volgt dat in dit geval eerst een waarschuwing moest worden verzonden en/of een bestuurlijk gesprek had moeten plaatsvinden. De interventiematrix is namelijk bedoeld als stappenplan dat aan uitvoerders is gericht. Ten tweede klopt de stelling niet dat geen waarschuwingen zijn gegeven. De brief van 2 december 2021 geldt namelijk als waarschuwingsbrief, ondanks dat deze niet (geheel) voldoet aan de definitie van een waarschuwingsbrief die staat in de LHS. De voornemens van 28 juli 2022 en 29 augustus 2023 zijn ook bestuurlijke waarschuwingen volgens rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). [3] Hoewel het voornemen van 28 juli 2022 alleen was gericht aan BTT Real Estate B.V. ( [adres 1] ), had de bijbehorende Rapportage 2022 ook betrekking op BTT Multimodial Container Solutions B.V. ( [adres 2] ) en dus vindt het college dat beide bedrijven met het voornemen van 28 juli 2022 zijn gewaarschuwd. Ten slotte vindt het college dat een waarschuwing achterwege kon blijven omdat eisers door een eerdere bezwaarprocedure al kennis hebben kunnen nemen van dit lopende handhavingstraject. Daarom vindt het college dat kon worden volstaan met een voornemen en daarna een last onder dwangsom.
7.2.
De rechtbank oordeelt dat het college in dit geval niet opnieuw een waarschuwingsbrief hoefde te versturen. In hoofdstuk 3 van de LHS leest de rechtbank dat een handhaver kiest voor de minst zware (combinatie) van de in het betreffende segment opgenomen interventies, tenzij de handhaver motiveert dat een andere (combinatie van) interventie(s) in de betreffende situatie passender is. Dit betekent dat het college in beginsel moet waarschuwen.
7.3.
Anders dan het college betoogt, oordeelt de rechtbank dat het college van dit uitgangspunt in het beleid heeft afgeweken. Het college heeft nagelaten om aan eisers een (nieuwe) waarschuwingsbrief te verzenden vóór het verzenden van de voornemens van 29 augustus 2023. In zoverre heeft het college dus gehandeld in strijd met de LHS. De rechtbank volgt het betoog van eisers echter niet dat het college op dit punt niet mocht afwijken van de LHS. Naar het oordeel van de rechtbank is afwijken wel mogelijk gelet op de voorgeschiedenis, het tijdsverloop én omdat het college met de brieven die vóór het voornemen van 29 augustus 2023 zijn verzonden heeft voldaan aan het achterliggende doel van het versturen van een waarschuwing. De rechtbank wijst daarbij op het volgende.
7.4.
Allereerst blijkt uit het dossier dat het bedrijf gevestigd aan de [adres 1] drie keer is geïnformeerd over geconstateerde overschrijdingen van de geluidsnorm, namelijk met de brief van 2 december 2021, met het voornemen van 28 juli 2022 en met het voornemen van 29 augustus 2023. Uit het dossier blijkt verder dat het bedrijf gevestigd aan de [adres 2] twee keer is geïnformeerd, namelijk met de brief van 2 december 2021 en met het voornemen van 29 augustus 2023. De brief van 2 december 2021 voldoet niet aan de definitie van een waarschuwingsbrief in de zin van de LHS omdat deze brief niet noemt binnen welke termijn de passende maatregelen moeten worden genomen om structurele naleving van de geluidsnormen te bereiken én omdat niet is genoemd dat de handhavingsinstantie verdergaande bestuursrechtelijke interventies zal nemen als blijkt dat de in de waarschuwingsbrief opgenomen maatregelen of voorzieningen niet zijn getroffen na het verstrijken van de termijn. [4] Dit neemt echter niet weg dat deze brief wel een waarschuwend karakter heeft, omdat in de brief staat dat overschrijdingen zijn geconstateerd en dat passende maatregelen moeten worden getroffen om herhaling te voorkomen. In deze brief wijst de OMWB ook op mogelijke nieuwe controles. Eisers zijn hiermee dus gewaarschuwd over de geconstateerde overtredingen én voor verdere controles. Zij zijn door deze brieven dus niet alleen op de hoogte gebracht van het begin van een (formeel) toezicht traject, maar zij hebben hiermee ook meteen een aanleiding gehad om maatregelen te treffen om verdere overtredingen te voorkomen. Hierbij komt dat specifiek BTT Real Estate B.V. ( [adres 1] ) óók met het voornemen van 28 juli 2022 is gewaarschuwd aangezien een voornemen een bestuurlijke waarschuwing is in de zin van de LHS. [5]
7.5.
Gelet op het voorgaande heeft het college dus voldaan aan het achterliggende doel van het versturen van een waarschuwing. De rechtbank weegt hier ook mee dat eisers als professionele bedrijven redelijkerwijs uit de brief van 2 december 2021 hebben kunnen opmaken dat het bevoegd gezag ook handhavend zou kunnen optreden vanwege de geconstateerde overtredingen.
Heeft het college de feiten door elkaar gehaald en daarmee onzorgvuldig gehandeld?
8. Eisers vinden dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld door uit te gaan van de verkeerde feiten. In het bestreden besluit onder het kopje ‘Proces tot nu toe’ heeft het college namelijk feiten, onderzoeken, constateringen, meldingen en correspondentie over de [adres 1] toegerekend aan de [adres 2] . Vanwege het sanctionerende karakter van het bestreden besluit kunnen alleen onderzoeksgegevens en berichten aan de overtreder in aanmerking worden genomen. De door het college gebruikte samenvatting van de procedure geeft een ongenuanceerd beeld.
8.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat niet is gebleken dat het college de relevante feiten voor de twee bedrijven door elkaar heeft gehaald en dat niet is gebleken daarmee in strijd te hebben gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank stelt vast dat in beide bestreden besluiten onder ‘Proces tot nu toe’ een samenvatting is opgenomen van beide procedures samen. Gelet op de omstandigheden dat de dossiers gaan over hetzelfde feitencomplex, dat de bedrijven naast elkaar zitten, dat uit het dossier blijkt dat eisers al jarenlang worden vertegenwoordigd door dezelfde gemachtigde en gelet op het feit dat de geluidsonderzoeken sterk verweven zijn, begrijpt de rechtbank dat het college in de bestreden besluiten de keuze heeft gemaakt om een overzicht te geven van beide procedures samen onder ‘Proces tot nu toe’. Hieruit blijkt echter niet dat het college voor de [adres 2] (of de [adres 1] ) is uitgegaan van het verkeerde feitencomplex of dat onjuiste meetresultaten zijn toegeschreven aan een verkeerd adres. Uit de overwegingen vanaf ‘Beoordeling van bezwaren’ blijkt immers dat in de beoordeling voor de [adres 1] is uitgegaan van vier overtredingen en voor de [adres 2] van twee overtredingen. Dit komt overeen met de meetresultaten waarover partijen het eens zijn. Niet is gebleken dat het college bij de inhoudelijke beoordeling, metingen, feiten of omstandigheden heeft toegerekend aan een ander dan de overtreder.
Is het opleggen van een last onder dwangsom in strijd met het evenredigheidsbeginsel?
9. Eisers doen een beroep op het evenredigheidsbeginsel en stellen dat sprake is van een bijzondere omstandigheid om af te zien van handhavend optreden.
In de eerste plaats is het college volgens eisers mede verantwoordelijk voor de door omwonenden ervaren akoestische hinder omdat deze mede is ontstaan door planologische keuzes en eigen inschattingen van het college in het verleden. De inrichtingen aan de [adres 1] en [adres 2] liggen namelijk op het bedrijventerrein Vossenberg-West, een grootschalig bedrijventerrein en hub voor logistieke dienstverlening voor (inter)nationale bedrijven. Het college heeft zelf meegewerkt aan deze logistieke hub dichtbij een woonwijk. Bij de totstandkoming van het bestemmingsplan hebben bewoners van de [straat 1] en [straat 2] en de directeur(s) van eisers zorgen geuit over geluidsoverlast. Dit heeft geleid tot de aanleg van een geluidswal en tot afspraken tussen de gemeente en eisers waarin is bepaald dat eisers maandelijkse rapportages over akoestische hinder ontvangen.
Ten tweede leiden eisers door de last onder dwangsom imagoschade. Internationale klanten doen navraag over de legaliteit van de activiteiten en de last schaadt de commerciële belangen van eisers.
Ten derde heeft het college ten onrechte meegewogen dat eisers al voldoende mogelijkheden zouden hebben gehad om, naar aanleiding van aanhoudende klachten in de periode 2017 tot en met 2024, toereikende maatregelen te nemen. Dit gaat namelijk over het instrument van de maandelijkse rapportages dat loopt via de gemeente. Die rapportages strekken er niet toe om eisers te waarschuwen voor overtredingen. Anders gezegd hebben eisers nog niet de kans gehad om maatregelen te treffen naar aanleiding van geconstateerde overtredingen. Het voornemen om een last onder dwangsom op te leggen kan verder ook niet dienen als een aanleiding om toereikende maatregelen te nemen, omdat deze brief deel uitmaakt van de handhavingsprocedure zelf.
Ten vierde heeft het college bij de belangenafweging geen goed onderscheid gemaakt tussen ervaren geluidshinder en overtreding van de geluidsnormen. Het college mag de ervaren geluidsoverlast niet meewegen in deze belangenafweging.
Tot slot had het college moeten concluderen dat de overschrijdingen van de maximale geluidsniveaus incidenten zijn. Voor BTT Real Estate B.V. ( [adres 1] ) zijn slechts vier overschrijdingen geconstateerd, terwijl het bedrijf al vanaf 2015 wordt geëxploiteerd. Voor BTT Multimodial Container Solutions B.V. ( [adres 2] ) zijn maar twee overschrijdingen geconstateerd, terwijl deze inrichting al vanaf 2013 wordt geëxploiteerd. Deze overtredingen zijn incidenten van geringe aard. Uit rechtspraak van de ABRvS volgt dat dit een omstandigheid kan vormen om af te zien van handhaving. [6]
9.1.
De rechtbank oordeelt dat het college in redelijkheid meer gewicht heeft mogen geven aan het belang om handhavend op te treden dan aan het belang van eisers. Er is dan ook geen sprake van schending van het evenredigheidsbeginsel.
9.2.
Volgens vaste rechtspraak van de ABRvS zal een bestuursorgaan dat bevoegd is om handhavend op te treden in beginsel van de bevoegdheid om een last onder dwangsom of bestuursdwang op te leggen gebruik moeten maken. [7] Verder heeft de ABRvS bepaald dat bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285) geldt. [8] Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Bij een beroep op het evenredigheidsbeginsel toetst de bestuursrechter afhankelijk van de beroepsgronden of het besluit geschikt, noodzakelijk en in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. [9]
9.3.
Gelet op wat eisers hebben aangevoerd is naar oordeel van de rechtbank niet gebleken van een bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college niet tot handhaving had mogen besluiten. Hieronder bespreekt de rechtbank de aangevoerde omstandigheden.
De omstandigheid dat het college met planologische keuzes zelf zou hebben bijgedragen aan de geluidsoverlast die de bewoners van de woonwijk Vossenberg-West overlast ervaren, wat daar ook van zij, ontslaat eisers niet van hun eigen verantwoordelijkheid om aan de maximale geluidsniveaus van het Activiteitenbesluit te voldoen. Een bestemmingplan bevat immers regels van ruimtelijke ordening en de normen van het Activiteitenbesluit zien op milieuregels. Eisers moeten zich aan beide houden.
Ten aanzien van de imagoschade hebben eisers niet met objectieve stukken onderbouwd dat zij (financiële) schade hebben geleden door een verlies aan klanten als gevolg van de lasten onder dwangsom. Bovendien is de door eiseres veronderstelde, maar niet onderbouwde imagoschade, naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college mocht besluiten niet tot handhaving over te gaan. Dergelijke (bijkomende) gevolgen zijn niet gelegen in het feit dat er een handhavingsbeslissing wordt genomen, maar in de overtreding van de voor eisers geldende maximale geluidsniveaus. Eisers dragen zelf de gevolgen van deze overtreding en de gevolgen daarvan.
Ten derde is niet gebleken dat eisers onvoldoende kansen zouden hebben gehad om maatregelen te treffen om handhavend optreden te voorkomen. Zoals de rechtbank onder overweging 7.4 al heeft overwogen, zijn eisers door brieven uit 2021 niet alleen op de hoogte gebracht van het begin van een (formeel) toezicht traject, maar zij hebben hiermee ook meteen een aanleiding gehad om maatregelen te treffen. Redelijkerwijs zijn eisers dus ervan op de hoogte dat zij vanaf 2021 het onderwerp zijn van (formele) onderzoeken. Het college heeft bovendien in de belangenafweging mogen betrekken dat toch overtredingen zijn geconstateerd, ondanks het doorlopende (informele) instrument van de maandelijkse rapportages. Het college heeft immers toegelicht dat dit informele traject (alleen) niet adequaat is gebleken.
Ten vierde heeft het college de klachten en de ervaren geluidshinder van omwonenden mogen betrekken bij de belangenafweging om handhavend op te treden. Dit verandert namelijk niet dat de overtredingen (die zijn gebaseerd op de geconstateerde overschrijdingen) van doorslaggevende betekenis zijn geweest voor de last onder dwangsom. Bovendien staat tussen partijen niet ter discussie dat omwonenden geluidsoverlast ervaren, dat deze overlast afkomstig is van eisers en dat bewoners hierover klagen. Het belang van de omwonenden is verder een belang dat het college heeft kunnen meewegen.
Ten slotte hoefde het college ook niet af te zien van handhaven omdat sprake zou zijn van incidenten. De rechtbank stelt voorop dat het college een beginselplicht heeft om handhavend op te treden. De uitspraken waarnaar eisers hebben verwezen zien op situaties die niet vergelijkbaar zijn. In de uitspraak van 4 augustus 2004 overweegt de ABRvS dat niet in geschil was dat de overtreding één keer heeft plaatsgevonden en was ook niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan voor een herhaling van deze overtreding moest worden gevreesd. [10] In de onderhavige zaak is sprake van geconstateerde overtredingen in 2021 en 2023 en aanhoudende klachten, waardoor de vrees voor herhaling van de overtredingen niet kan worden uitgesloten. In de uitspraak van 1 april 2009 overweegt de ABRvS dat op de percelen slechts één tot tweemaal per jaar kort wordt geparkeerd. Dit van de agrarische bestemming afwijkende gebruik van de percelen was zo kortdurend en incidenteel, dat de bestemmingsplanvoorschriften zich daartegen niet verzetten. [11] Niet is gebleken dat de overschrijdingen van de geluidsnormen zo incidenteel zouden zijn, zodat de normen uit het Activiteitenbesluit zich daar niet tegen zouden verzetten.

Conclusie en gevolgen

10. De beroepen zijn ongegrond. Eisers krijgen dus geen gelijk. Omdat de beroepen ongegrond zijn, krijgen eisers het griffierecht niet terug en krijgen zij ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.S. van Bree, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier op 2 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:32
Een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
Voor een last onder dwangsom wordt niet gekozen, indien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen, zich daartegen verzet.
Indien de last onder dwangsom strekt ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens een regeling die is genoemd in hoofdstuk 2, 3 of 4 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak of in de bij deze wet behorende Regeling verlaagd griffierecht, wordt de last onder dwangsom voor de toepassing van de twee laatstgenoemde regelingen aangemerkt als een besluit, genomen op grond van de eerstbedoelde regeling.
Gemeentewet
Artikel 125, eerste en tweede lid
Het gemeentebestuur is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.
De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.
Wet milieubeheer
Artikel 18.2, eerste lid
Het bestuursorgaan dat ingevolge artikel 8.41, tweede lid, onder a, het orgaan is waaraan de melding wordt gericht, dan wel in andere gevallen burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting geheel of in hoofdzaak zal zijn of is gelegen, hebben tot taak:
a. zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de voorschriften die voor degene die de inrichting drijft, gelden op grond van:
1°.het bepaalde bij of krachtens deze wet en de in artikel 13.1, tweede lid, genoemde wetten, voor zover dat bij of krachtens die wetten is bepaald;
2°.de EG-verordening PRTR;
3°.de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen;
4°.De EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels;
gegevens die met het oog op de uitoefening van de taak als bedoeld onder a van belang zijn te verzamelen en te registreren;
klachten die betrekking hebben op de naleving van het met betrekking tot de inrichting bij of krachtens de betrokken wetten bepaalde, te behandelen.
Activiteitenbesluit milieubeheer
Artikel 2.17, eerste lid, onder aVoor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau LAmax, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, geldt dat:
a. de niveaus op de in tabel 2.17a genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden;
Tabel 2.17a
07:00–19:00 uur
19:00–23:00 uur
23:00–07:00 uur
LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen
50 dB(A)
45 dB(A)
40 dB(A)
LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
35 dB(A)
30 dB(A)
25 dB(A)
LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen
70 dB(A)
65 dB(A)
60 dB(A)
LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
55 dB(A)
50 dB(A)
45 dB(A)
Landelijke Handhavingsstrategie 2014
3.4
Stap 4 – Optreden met de interventiematrix
De landelijke handhavingstrategie gaat uit van het in principe zo licht mogelijk starten met interveniëren gericht op herstel en het vervolgens snel inzetten van zwaardere interventies als naleving uitblijft. De handhaver gebruikt de interventiematrix van figuur 3 daarbij als volgt:
De handhaver kijkt naar de interventies in het segment van deze interventiematrix waarin hij de bevinding eerder met behulp van stap 1 (paragraaf 3.1) heeft gepositioneerd.
De handhaver kiest voor de minst zware (combinatie) van de in het betreffende segment opgenomen interventies, tenzij de handhaver motiveert dat een andere (combinatie van) interventie(s) in de betreffende situatie passender is.
De interventies in de (segmenten van de) matrix lopen van beneden naar boven op in zwaarte. In bijlage 2 staan alle interventies eveneens van licht naar zwaar toegelicht.
Waar in de matrix van figuur 3 ‘PV’ staat betreft het de middelzware en zware segmenten die in stap 3 zijn afgestemd tussen handhavinginstantie en OM. Als in overleg is besloten dat het OM niet optreedt, zijn er in deze situaties de in figuur 3 aangegeven op herstel en/of op bestraffing gerichte bestuursrechtelijke interventies om te overwegen, en ook de BSBm als strafrechtelijke interventie.
[…]
Bijlage 2 – Toelichting interventies van licht naar zwaar
Bestuursrecht herstellend
[…]
Waarschuwen – brief met hersteltermijn
Waarschuwen betekent dat de normadressaat naar aanleiding van een inspectie een waarschuwingsbrief ontvangt. Daarin is opgenomen welke maatregelen of voorzieningen getroffen moeten worden om na te leven en binnen welke (redelijke) termijn. In de brief staat ook dat de handhavinginstantie verdergaande bestuursrechtelijke interventies zal nemen (LOB, LOD), als blijkt dat de in de waarschuwingsbrief opgenomen maatregelen of voorzieningen niet zijn getroffen na het verstrijken van de termijn.
[…]
Last onder dwangsom – LOD
Een last onder dwangsom is een op herstel gerichte interventie voor het ongedaan maken van overtredingen en/of het voorkomen van verdere/herhaalde overtreding. De normadressaat krijgt een verplichting (een last) opgelegd om binnen een gegeven termijn de overtreding te beëindigen door iets te doen of na te laten op straffe van het verbeuren van een dwangsom wanneer de last niet tijdig wordt uitgevoerd. De op te leggen dwangsom moet voldoende hoog zijn om de overtreding te beëindigen. Een last onder dwangsom kan alleen worden opgelegd als hiervoor een wettelijke bevoegdheid bestaat.
Het opleggen van een last onder dwangsom gebeurt volgens zorgvuldig te volgen stappen. In het algemeen worden de volgende stappen doorlopen:
Bestuurlijke waarschuwing, dat wil zeggen: het bekend maken van het voornemen om een last onder dwangsom op te leggen met een hersteltermijn plus de termijn om zienswijzen bekend te maken.  Indien niet tijdig hersteld:
Sanctiebeschikking, dat wil zeggen: het opleggen van een last onder dwangsom met een hersteltermijn.  Indien niet tijdig hersteld:
Verbeuren en innen dwangsom.
[…]

Voetnoten

1.Het handhavingsbeleid is vastgelegd in het VTH-beleidsplan 2023-2027 (VTH-beleid). Het VTH-beleid verwijst naar het ‘Gemeenschappelijk Uitvoeringskader VTH 2018 Regio Midden- en West Brabant’ (GUK) waarin een raamwerk is gegeven voor een uniform uitvoeringsbeleid. Paragraaf 3.2 van het GUK verwijst naar de Landelijke Handhavingsstrategie 2014 (LHS).
2.Verwijzing naar ABRvS 7 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:663, r.o. 12.
3.Verwijzing naar ABRvS 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:397, r.o. 8.2
4.Zie Bijlage 2 van de LHS, onder ‘Waarschuwen – brief met hersteltermijn’.
5.Zie Bijlage 2 van de LHS, onder ‘Last onder dwangsom – LOD’.
6.Verwijzing naar: ABRvS 4 augustus 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AQ6030, r.o. 2.4.3 en ABRvS 1 april 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH9229, r.o. 2.5.2.
7.ABRvS 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, r.o. 6.1.
8.ABRvS 12 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5494, r.o. 6.1.
9.Zie: ABRvS 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, r.o. 6.1.
10.ABRvS 4 augustus 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AQ6030, r.o. 2.4.3
11.ABRvS 1 april 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH9229, r.o. 2.5.2.