ECLI:NL:RBZWB:2025:8495

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
BRE 25/1042
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 Wet WOZArt. 24 Wet WOZArt. 30 Wet WOZArt. 30a Wet WOZArt. 17 Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling WOZ-waarde woning en proceskostenvergoeding na bezwaar

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning en de daarbij behorende aanslag onroerendezaakbelasting (OZB). De heffingsambtenaar had de waarde bij bezwaar verlaagd van €576.000 naar €539.000 en een kostenvergoeding van €161,74 toegekend. Belanghebbende stelde dat de waarde te hoog was en dat de kostenvergoeding onjuist was vastgesteld.

De rechtbank oordeelde dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. De heffingsambtenaar had de waarde onderbouwd met een taxatiematrix en referentiewoningen, waarbij voldoende rekening was gehouden met verschillen en gebreken aan de woning. Belanghebbende slaagde er niet in aannemelijk te maken dat een verdere afwaardering noodzakelijk was.

Wel werd geoordeeld dat de kostenvergoeding in bezwaar onjuist was vastgesteld door een afrondingsfout. Daarnaast werd vastgesteld dat de heffingsambtenaar in de bezwaarprocedure niet voldeed aan de informatieplicht uit artikel 40 Wet Pro WOZ door niet tijdig bepaalde gegevens te verstrekken. Deze schending werd echter gepasseerd op grond van artikel 6:22 Awb Pro, omdat belanghebbende niet benadeeld was.

De rechtbank vernietigde het deel van de uitspraak op bezwaar dat betrekking had op de kostenvergoeding, stelde deze vast op €161,76 en veroordeelde de heffingsambtenaar tot betaling van een proceskostenvergoeding van €170,07 en het griffierecht van €53. De vergoeding werd gematigd wegens samenhang met soortgelijke zaken.

Uitkomst: Het beroep is gegrond voor de kostenvergoeding in bezwaar en ongegrond voor de WOZ-waarde; de heffingsambtenaar moet een aangepaste kostenvergoeding en griffierecht vergoeden.

Uitspraak

\RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/1042
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 december 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Loon op Zand, de heffingsambtenaar.

1.Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 15 januari 2025.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 24 februari 2024 de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats] (de woning) op 1 januari 2023 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 576.000. Tegelijk met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente [plaats] voor het jaar 2024 opgelegd (de aanslag OZB).
1.3.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de waarde van de woning verlaagd naar € 539.000. Tevens is een kostenvergoeding van € 161,74 toegekend.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 22 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft gemachtigde namens belanghebbende deelgenomen en namens de heffingsambtenaar zijn verschenen [naam] , [taxateur] (taxateur) en als toehoorder [toehoorder] . Op dezelfde zitting zijn nog vier zaken van andere, door gemachtigde vertegenwoordigde, belanghebbenden behandeld.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het is een vrijstaande woning (bouwjaar 1938) met een gebruikersoppervlakte van 248 m2. De woning is gelegen op een perceel van 5830 m2. De woning heeft een garage, een hobbykas, een overkapping/luifel en beschikt over twee dakkapellen.
3.
Beoordeling door de rechtbank
3.1.
De rechtbank beoordeelt of de waarde van de woning te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3.1.1.
Belanghebbende vindt dat de waarde van de woning op de waardepeildatum maximaal € 425.000 is. De heffingsambtenaar verdedigt de in bezwaar verlaagde waarde van € 539.000.
Omvang van het geschil
3.2.
Een beroep tegen de waardebeschikking is tegelijk ook een beroep tegen de aanslag OZB. Dat staat in artikel 24, negende lid, gelezen in samenhang met artikel 30, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ). Het oordeel over de aanslag OZB volgt het oordeel over de waarde van de woning. Tegen de aanslag OZB zijn geen zelfstandige gronden aangevoerd.
Beoordeling
3.3.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van belanghebbende niet en is de waarde van de woning niet te hoog vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Vooraf
Kostenvergoeding in bezwaar
3.4.
Belanghebbende stelt dat de kostenvergoeding voor de bezwaarfase niet juist is vastgesteld. Waar aanvankelijk in de uitspraak op bezwaar een totaal bedrag van € 161,74 is toegekend, verzoekt belanghebbende in beroep primair om een verhoging van de kostenvergoeding in bezwaar gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 17 januari 2025. [1]
3.5.
De heffingsambtenaar vindt, kort gezegd, dat voor deze zaak en bij deze gemachtigde geen sprake is van een bijzonder geval.
3.6.
Gelet op wat de Hoge Raad in de arresten van 17 januari 2025 [2] en 25 april 2025 [3] heeft overwogen, moet worden beoordeeld of het geval van belanghebbende met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een ‘bijzonder geval’ als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025. Blijkens dit arrest rust de bewijslast dat sprake is van een ‘bijzonder geval’ op belanghebbende. [4] Het gaat hierbij niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarin die proceskostenvergoeding wordt toegekend, maar om het bedrijfsmodel. Die moet zijn ingericht als no cure no pay of op een grondslag die daarmee op één lijn kan worden gesteld. Het is aan de belanghebbende en de gemachtigde, die zich op de uitzondering beroepen, te onderbouwen dat geen sprake is van no cure no pay of een daarmee op één lijn te stellen bedrijfsmodel.
3.7.
De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een bijzonder geval. Gemachtigde geeft aan dat er door zijn kantoor niet gewerkt wordt met standaard tekstblokken. De rechtbank ziet daarin onvoldoende grond voor het oordeel dat zijn bedrijfsmodel niet de door de Hoge Raad genoemde kenmerken bezit en dus sprake is van een bijzondere omstandigheid. Daarbij heeft gemachtigde geen financiële gegevens overlegd en daardoor geen inzicht gegeven in zijn bedrijfsmodel. Belanghebbende voldoet dus niet aan zijn bewijslast. Dat betekent dat bij de vaststelling en de toekenning van de proceskosten de vermenigvuldigingsfactoren uit artikel 30a, eerste en tweede lid, van de Wet WOZ kunnen worden toegepast. Welke matigingsfactor specifiek op grond van artikel 30a Wet WOZ moet worden toegepast komt onderstaand verder aan de orde.
3.8.
Gemachtigde stelt zich subsidiair op het standpunt dat de onjuiste matigingsfactor [5] op de proceskostenvergoeding in bezwaar is toegepast. Ten onrechte is de matigingsfactor voor 2025 toegepast, terwijl de matigingsfactor uit 2024 toegepast dient te worden. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de proceskostenvergoeding in bezwaar op grond van artikel 30a, eerste lid, Wet WOZ op de juiste wijze is berekend.
3.9.
Niet in geschil is dat belanghebbende recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Uit de stukken van het dossier leidt de recht af dat ook niet in geschil is dat er 1 punt moet worden toegekend voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting.
3.10.
De rechtbank oordeelt als volgt. De matiging van de kosten van rechtsbijstand geldt voor bezwaar, (hoger) beroep, verzet of een verzoek om herziening tegen/van een besluit (beschikking of uitspraak) dat op of na 1 januari 2024 is bekendgemaakt. Belangrijk daarbij is dat de beoordeling van de kostenvergoeding per fase van de procedure geschiedt. De datum van toezending van de uitspraak op bezwaar of de uitspraak van de rechtbank is leidend, gelet op de tekst van de overgangsbepaling. [6] In dit geval is de aanslag opgelegd na 1 januari 2024 en de uitspraak op bezwaar is gedaan na 1 januari 2025. Artikel 30a van de Wet WOZ over de matiging van kosten van rechtsbijstand is dan ook van toepassing.
3.11.
Vervolgens komt de vraag op welke matigingsfactor van toepassing is. Per 1 januari 2025 is namelijk de betreffende factor gewijzigd naar aanleiding van jurisprudentie van de Hoge Raad. [7] Bij de invoering van die wetgeving is aangegeven dat dit is ingegeven door de wens van de wetgever om de vergoeding van (proces)kostenvergoedingen blijvend op (ongeveer) hetzelfde niveau te houden dat door de wetgever redelijk wordt geacht. [8] Gelet daarop ziet de rechtbank aanleiding om in dit geval voor de beoordeling van de vraag of de heffingsambtenaar de bezwaarkostenvergoeding juist heeft vastgesteld ook rekening te houden met deze regels. De rechtbank acht dat ook leiden tot een passende vergoeding in de omstandigheden van dit geval, omdat de vergoeding die dan wordt toegekend niet in betekenende mate (in negatieve zin) afwijkt van de vergoeding waar aanspraak op gemaakt kon worden ten tijde van het verrichten van de proceshandelingen. [9]
3.12.
Het voorgaande houdt in dat de heffingsambtenaar voor de kostenvergoeding in bezwaar de juiste methodiek heeft gevolgd. Desalniettemin heeft belanghebbende er terecht op gewezen dat de heffingsambtenaar een afrondingsfout heeft gemaakt. De heffingsambtenaar heeft dat zelf ook erkend. Het beroep is in zoverre gegrond en de rechtbank zal de kostenvergoeding in bezwaar vaststellen op € 161,76.
Schending van artikel 40 van Pro de Wet WOZ?
3.13.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat de heffingsambtenaar tijdens de bezwaarprocedure ten onrechte de opgevraagde gegevens, voor wat betreft de op de zaak betrekking hebbende stukken (de iWOZ-rapportages en PMA-inlichtingenformulieren), niet heeft toegezonden. Volgens belanghebbende is artikel 40 van Pro de Wet WOZ geschonden. De rechtbank begrijpt dat belanghebbende daarbij doelt op de iWOZ-gegevens van de door de heffingsambtenaar gehanteerde referentiewoningen. IWOZ is een door de Vereniging Nederlandse Gemeenten samengestelde verzameling objectgegevens en foto’s van te koop aangeboden woningen in Nederland. Deze gegevens zijn afkomstig van publiekelijk toegankelijke, door makelaars gepubliceerde verkoopadvertenties. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de iWOZ-rapportages niet behoren tot de in artikel 40, tweede lid van de Wet WOZ te verstrekken gegevens.
3.14.
Op grond van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ moet aan degene die een voldoende specifiek verzoek doet tot het verstrekken van bepaalde gegevens die niet in het taxatieverslag zijn opgenomen, maar die wel ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde van de onroerende zaak, een afschrift van die gegevens worden verstrekt. Deze gegevens kunnen ook betrekking hebben op de voor de waardevaststelling gebruikte vergelijkingsobjecten. [10]
3.15.
De iWOZ-rapportages en de PMA-inlichtingenformulieren van de referentiewoningen behoren in beginsel niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 Awb Pro. De heffingsambtenaar is daarom niet verplicht deze gegevens over te leggen. Dit is slechts anders als voorgenoemde stukken door de heffingsambtenaar zijn gebruikt om tot een onderbouwing van de WOZ-waarde van de woning te komen. [11] Naar aanleiding van de verklaring van de heffingsambtenaar en de taxateur ter zitting maakt de rechtbank op dat de stukken waar belanghebbende in de bezwaarfase om heeft verzocht weldegelijk zijn gebruikt ter onderbouwing van de WOZ-waarde van de woning.
3.16.
Belanghebbende heeft aan de heffingsambtenaar een voldoende specifiek verzoek gedaan tot het verstrekken van bepaalde gegevens. Uit het voorgaande (zie overweging 3.16) blijkt dat deze gegevens ten grondslag liggen aan de vastgestelde WOZ-waarde van de woning. De heffingsambtenaar was daarom op grond van artikel 40 van Pro de Wet WOZ gehouden te voldoen aan het verzoek van belanghebbende om hem een afschrift van die gegevens te verstrekken. De heffingsambtenaar heeft aan deze verplichting in de bezwaarfase niet voldaan.
3.17.
Schending van artikel 40 van Pro de Wet WOZ leidt op zichzelf niet direct tot een vernietiging van de uitspraak op bezwaar. Een schending van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Algemene Pro wet bestuursrecht (hierna: Awb), tenzij sprake is van een benadeling. Daarvan is sprake indien aannemelijk is dat de uitspraak op bezwaar dezelfde uitkomst zou hebben gehad als de heffingsambtenaar wel tijdig alle gegevens als bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ zou hebben verstrekt en de belanghebbende zijn inbreng (mede) op die gegevens zou hebben gebaseerd. [12] De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om de schending van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ te passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb. Gelet op het hierna volgende oordeel ten aanzien van de waarde-onderbouwing door de heffingsambtenaar zou de uitspraak op bezwaar geen andere uitkomst hebben gehad bij tijdige verstrekking van de gegevens. [13] Wel is deze schending aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding en een vergoeding van het griffierecht.
Toetsingskader van de rechtbank
3.18.
Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding". [14]
3.19.
De waarde van de woning is bepaald met de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de WOZ-waarde niet te hoog heeft vastgesteld.
3.20.
Pas als de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de rechtbank toe aan de vraag of belanghebbende de door hem verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Indien ook dat laatste niet het geval is, kan de rechtbank schattenderwijs zelf tot een vaststelling van de in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ bedoelde waarde komen.
De grootte van de garage
3.21.
Belanghebbende bestrijdt de afmetingen van de garage. De heffingsambtenaar heeft ter zitting toegelicht dat hij de afmetingen van de garage op basis van de luchtfoto heeft berekend. De rechtbank volgt belanghebbende niet. De heffingsambtenaar heeft – tegenover de blote betwisting van belanghebbende – aannemelijk gemaakt dat de afmetingen van de garage juist zijn weergegeven.
De onderbouwing van de WOZ-waarde door de heffingsambtenaar
3.22.
De heffingsambtenaar heeft aan de waardevaststelling in beroep een taxatiematrix met bijbehorende bijlagen ten grondslag gelegd dat op 14 april 2025 door taxateur [taxateur] is opgemaakt.
3.23.
In de taxatiematrix is de waarde van de woning op basis van een vergelijking met referentiewoningen vastgesteld op een getaxeerde waarde van € 564.000 naar de waardepeildatum 1 januari . Als referentiewoningen zijn gebruikt de woningen aan de [referentiewoning 1] en [referentiewoning 2] alle te [plaats] . In de taxatiematrix zijn voornoemde referentiewoningen vergeleken met de woning.
Zijn de referentiewoningen voldoende vergelijkbaar met de woning?
3.24.
Belanghebbende heeft ter zitting gesteld dat de door de heffingsambtenaar gebruikte referentiewoning aan de [referentiewoning 1] niet bruikbaar is ter onderbouwing van de WOZ-waarde van de woning. Deze referentiewoning is volgens belanghebbende niet bruikbaar, omdat het bouwjaar van deze woning 2020 is, de KOUDV factoren allemaal op factor 5 staan, deze referentiewoning energielabel A heeft en omdat deze referentiewoning een betere ligging heeft.
3.25.
De heffingsambtenaar heeft ter zitting zijn keuze voor de twee referentiewoningen verdedigd en stelt dat de referentiewoningen, ondanks de verschillen, de twee best vergelijkbare objecten zijn. Er is gezocht naar de best mogelijk vergelijkbare panden, aldus de heffingsambtenaar.
3.26.
Anders dan belanghebbende stelt, is de rechtbank van oordeel dat de door de heffingsambtenaar gebruikte referentiewoningen bruikbaar zijn. In de beroepsfase is door de heffingsambtenaar gekozen voor andere objecten dan in de bezwaarfase. De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar in iedere fase van de procedure de waarde opnieuw mag onderbouwen, ook middels nieuwe referentiewoningen. Mede gelet op de beperkte verkoopcijfers binnen één jaar voor of na waardepeildatum van dit type woning in de omgeving van het object, mogen deze woningen naar het oordeel van de rechtbank gebruikt worden als referentiewoningen. De rechtbank neemt daarbij in ogenschouw dat gemachtigde ter zitting heeft toegegeven dat het voor dit object lastig is om vergelijkingsobjecten te vinden. De door de heffingsambtenaar gebruikte referentiewoningen vindt de rechtbank dan ook voldoende vergelijkbaar qua bouw, uitstraling, type woning en ligging. De heffingsambtenaar dient echter wel rekening te houden met de verschillen. Of daar door de heffingsambtenaar voldoende rekening mee is gehouden komt hieronder aan de orde.
Heeft de heffingsambtenaar voldoende rekening gehouden met de verschillen tussen de woning en de referentiewoningen?
3.27.
De heffingsambtenaar heeft naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate inzichtelijk gemaakt op welke wijze rekening is gehouden met de verschillen tussen de referentiewoningen en de woning. Zo zijn aan aparte onderdelen zoals de garage, de twee dakkapellen, de hobbykas en de overkapping/luifel afzonderlijke waarden toegekend. Ook zijn de verkoopprijzen van de referentiewoningen geïndexeerd naar de waardepeildatum. Daarnaast heeft de heffingsambtenaar aan alle woningen KOUDV-factoren toegekend en zijn bij zowel de woning als bij de referentiewoningen correcties toegepast voor het voorzieningenniveau, de uitstraling, de doelmatigheid, de kwaliteitstoestand en de onderhoudstoestand ten opzichte van de woning. Het betreffen zowel neerwaartse correcties als opwaartse correcties. De rechtbank is daarom van oordeel dat de heffingsambtenaar hiermee inzichtelijk heeft gemaakt dat met de verschillen rekening is gehouden.
3.28.
Belanghebbende betwist dat bij de waardebepaling van de woning voldoende rekening is gehouden met de verouderde voorzieningen, de ondoelmatige woning, de ongunstige ligging in het buitengebied van [plaats] , de scheurvorming in de muren, de lekkages, de rolplekken in de balklaag, het afgebladderde schilderwerk en de slechte afwerking van het rietonderschoten dak. De rechtbank oordeelt echter dat de heffingsambtenaar bij de waardering een neerwaartse correctie van in totaal € 330.480 (62%) heeft toegepast voor zowel de afwijkende gedateerde voorzieningen, de onder gemiddelde kwaliteits- en onderhoudstoestand, de onder gemiddelde uitstraling, de onder gemiddelde doelmatigheid en de mindere ligging van de woning. Daarnaast heeft de heffingsambtenaar bij de referentiewoningen eveneens verschillende opwaartse correcties toegepast, hetgeen in het voordeel van belanghebbende komt. De heffingsambtenaar stelt dat hij het met belanghebbende eens is dat de woning in een slechte staat verkeert. Echter is de heffingsambtenaar van mening dat voor een verdere afwaardering geen aanleiding bestaat. Belanghebbende is er niet in geslaagd om daartegenover aannemelijk te maken dat de door de heffingsambtenaar toegepaste correctie nog te laag is en dat er een hogere correctie moet worden toegepast vanwege de gebreken aan de woning.
3.29.
Belanghebbende heeft ter zitting nog aangevoerd dat de gemiddelde m2 prijs van de referentiewoning aan de [referentiewoning 2] met betrekking tot afwijkende KOUDV-factoren te hoog is vastgesteld en dat daardoor de eindwaarde van de woning onjuist is berekend. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de taxatiematrix blijkt dat wel degelijk met de afwijkende KOUDV-factoren rekening is gehouden in de taxatiematrix. Belanghebbende miskent in zijn berekening dat de gecorrigeerde m2-prijs uitgaat van gemiddelde KOUDV-factoren (=100%) en dat aan de hand daarvan wordt gecorrigeerd. Voor de referentiewoning aan de [referentiewoning 2] is namelijk een correctie van 22% toegepast. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan deze correcties van de heffingsambtenaar en daarom volgt de rechtbank deze stelling van belanghebbende niet.
3.30.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de waarde van de woning van het belastingjaar 2024 niet te hoog vastgesteld.

4.Conclusie en gevolgen

4.1.
Het beroep is gegrond voor wat betreft de beslissing ten aanzien van de kostenvergoeding in bezwaar. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de kostenvergoeding. Voor het overige is het beroep ongegrond.
4.2.
Omdat het beroep gegrond is verklaard en sprake was van een gebrek dat met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb is gepasseerd, moet de heffingsambtenaar het griffierecht vergoeden.
4.3.
Belanghebbende krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten in beroep. Voor het achterwege laten daarvan vanwege bijzondere omstandigheden als bedoeld in de jurisprudentie van de Hoge Raad bestaat geen aanleiding. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. Belanghebbende heeft recht op 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 907. De forfaitaire proceskostenvergoeding voor de beroepsfase wordt op grond van artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ met een factor van 0,25 vermenigvuldigd. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 453,50. Wel ziet de rechtbank aanleiding om de vergoeding te matigen wegens samenhang. Er is namelijk sprake van zaken waarin een vergoeding wordt toegekend wegens een geconstateerde schending van artikel 40, tweede lid van de Wet WOZ en een onjuiste berekening van de hoogte van de kostenvergoeding in bezwaar. Hierover is door vier verschillende belanghebbenden die door gemachtigde worden vertegenwoordigd geklaagd in procedures die (nagenoeg) gelijktijdig zijn behandeld, waarbij de betreffende rechtsbijstand nagenoeg identiek is geweest. De omstandigheid dat daarbij nog een aanvullend geschilpunt aanwezig was, acht de rechtbank in dit geval geen aanleiding om geen samenhang te constateren. [15] De rechtbank zal dan ook een factor van 1,5 hanteren, waardoor de in totaal toe te kennen vergoeding € 680,25 bedraagt. Per zaak zal een bedrag van € 170,07 worden toegekend. De rechtbank acht dat aanvullend op basis van artikel 2, tweede lid van het Besluit proceskosten bestuursrecht een passende vergoeding gelet op de aanleiding voor de toekenning van de proceskostenvergoeding. Door de schending van artikel 40 van Pro de Wet WOZ is belanghebbende namelijk niet benadeeld, waardoor deze schending op basis van artikel 6:22 Awb Pro gepasseerd is. Verder vindt het gelijk van belanghebbende ten aanzien van de kostenvergoeding zijn oorsprong in een afrondingsverschil van € 0,02.

5.Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep voor zover het is gericht tegen de beslissing over de kostenvergoeding gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de kostenvergoeding;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van een vergoeding voor de kosten van bezwaar aan belanghebbende van € 161,76 onder verrekening van hetgeen reeds is betaald;
  • verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van een vergoeding voor de kosten in beroep aan belanghebbende van € 170,07.
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden;
  • beslist dat, voor zover de (proces)kostenvergoedingen en het griffierecht niet tijdig worden betaald, de wettelijke rente daarover in zoverre is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van M.M.I. van Dijk-Saris, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46.
2.HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46.
3.HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:670.
4.HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 r.o. 3.5.2.
5.Artikel 30a, eerste en tweede lid Wet WOZ
6.Zie art. IV onderdeel a Wet herwaardering PKV en vgl. Hoge Raad 16 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2769, BNB 1999/287, r.o. 3.
7.Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060.
8.Kamerstukken II, 2024/2025, 36 602, nr. 23
9.Het bezwaar is ingesteld na 1 januari 2024, het hoorgesprek was voor 12 juli 2024.
10.Zie Hoge Raad 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052.
11.Zie gerechtshof Amsterdam 30 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2282.
12.HR 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106, r.o. 4.4.2 t/m 4.4.4.
13.Vgl. Hoge Raad 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106, r.o. 4.5.2.
14.Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, blz. 44.
15.Vgl. Hoge Raad 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:439, r.o. 2.3.3.