AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep tegen WOZ-waarde woning en kostenvergoeding bezwaar gegrond verklaard
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning en de toegekende kostenvergoeding in bezwaar. De heffingsambtenaar had de WOZ-waarde verlaagd van €792.000 naar €692.000, maar belanghebbende stelde dat de waarde maximaal €650.000 moest zijn. De rechtbank oordeelde dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, omdat de heffingsambtenaar voldoende rekening had gehouden met verschillen tussen de woning en referentiewoningen.
Wel stelde de rechtbank vast dat de heffingsambtenaar tijdens de bezwaarprocedure niet voldeed aan de verplichting om op verzoek van belanghebbende bepaalde gegevens (iWOZ-rapportages en PMA-inlichtingenformulieren) te verstrekken, wat een schending van artikel 40 vanPro de Wet WOZ opleverde. Deze schending leidde niet tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar omdat belanghebbende niet benadeeld was, maar wel tot toekenning van een hogere kostenvergoeding.
De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van een bijzonder geval dat een afwijkende proceskostenvergoeding rechtvaardigde en dat de heffingsambtenaar een afrondingsfout had gemaakt bij de berekening van de kostenvergoeding in bezwaar. Daarom werd de kostenvergoeding verhoogd van €161,74 naar €161,76. Daarnaast kreeg belanghebbende een proceskostenvergoeding in beroep van €170,07 en een griffierechtvergoeding van €53 toegewezen.
De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking had op de kostenvergoeding, veroordeelde de heffingsambtenaar tot betaling van de genoemde vergoedingen en verklaarde het beroep voor het overige ongegrond.
Uitkomst: Beroep gegrond voor kostenvergoeding bezwaar en proceskostenvergoeding, beroep ongegrond voor WOZ-waarde woning.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/602
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 december 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Loon op Zand, de heffingsambtenaar.
1.Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 13 januari 2025.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 31 maart 2024 de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats] (de woning) op 1 januari 2023 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 792.000. Tegelijk met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Loon op Zand voor het jaar 2024 opgelegd (de aanslag OZB).
1.3.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de waarde van de woning verlaagd naar € 692.000. Tevens is een kostenvergoeding van € 161,74 toegekend.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 22 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft gemachtigde namens belanghebbende deelgenomen en namens de heffingsambtenaar zijn verschenen [naam] , [taxateur] (taxateur) en als toehoorder [toehoorder] . Op dezelfde zitting zijn nog vier zaken van andere, door gemachtigde vertegenwoordigde, belanghebbenden behandeld.
2.Feiten
2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het is een vrijstaande woning (bouwjaar 1936) met een gebruikersoppervlakte van 182 m2. De woning is gelegen op een perceel van 1170 m2. De woning heeft een berging/schuur kapconstructie, een tuinhuis/blokhut, een overkapping/luifel en beschikt over drie dakkapellen.
3.Beoordeling door de rechtbank
3.1.
De rechtbank beoordeelt of de waarde van de woning te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3.1.1.
Belanghebbende vindt dat de waarde van de woning op de waardepeildatum maximaal € 650.000 is. De heffingsambtenaar verdedigt de in bezwaar verlaagde waarde van € 692.000.
Omvang van het geschil
3.2.
Een beroep tegen de waardebeschikking is tegelijk ook een beroep tegen de aanslag OZB. Dat staat in artikel 24, negende lid, gelezen in samenhang met artikel 30, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ). Het oordeel over de aanslag OZB volgt het oordeel over de waarde van de woning. Tegen de aanslag OZB zijn geen zelfstandige gronden aangevoerd.
Beoordeling
3.3.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van belanghebbende niet en is de waarde van de woning niet te hoog vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Vooraf
Kostenvergoeding in bezwaar
3.4.
Belanghebbende stelt dat de kostenvergoeding voor de bezwaarfase niet juist is vastgesteld. Waar aanvankelijk in de uitspraak op bezwaar een totaal bedrag van € 161,74 is toegekend, verzoekt belanghebbende in beroep primair om een verhoging van de kostenvergoeding in bezwaar gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 17 januari 2025. [1]
3.5.
De heffingsambtenaar vindt, kort gezegd, dat voor deze zaak en bij deze gemachtigde geen sprake is van een bijzonder geval.
3.6.
Gelet op wat de Hoge Raad in de arresten van 17 januari 2025 [2] en 25 april 2025 [3] heeft overwogen, moet worden beoordeeld of het geval van belanghebbende met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een ‘bijzonder geval’ als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025. Blijkens dit arrest rust de bewijslast dat sprake is van een ‘bijzonder geval’ op belanghebbende. [4] Het gaat hierbij niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarin die proceskostenvergoeding wordt toegekend, maar om het bedrijfsmodel. Die moet zijn ingericht als no cure no pay of op een grondslag die daarmee op één lijn kan worden gesteld. Het is aan de belanghebbende en de gemachtigde, die zich op de uitzondering beroepen, te onderbouwen dat geen sprake is van no cure no pay of een daarmee op één lijn te stellen bedrijfsmodel.
3.7.
De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een bijzonder geval. Gemachtigde geeft aan dat er door zijn kantoor niet gewerkt wordt met standaard tekstblokken. De rechtbank ziet daarin onvoldoende grond voor het oordeel dat zijn bedrijfsmodel niet de door de Hoge Raad genoemde kenmerken bezit en dus sprake is van een bijzondere omstandigheid. Daarbij heeft gemachtigde geen financiële gegevens overlegd en daardoor geen inzicht gegeven in zijn bedrijfsmodel. Belanghebbende voldoet dus niet aan zijn bewijslast. Dat betekent dat bij de vaststelling en de toekenning van de proceskosten de vermenigvuldigingsfactoren uit artikel 30a, eerste en tweede lid, van de Wet WOZ kunnen worden toegepast. Welke matigingsfactor specifiek op grond van artikel 30a Wet WOZ moet worden toegepast komt onderstaand verder aan de orde.
3.8.
Gemachtigde stelt zich subsidiair op het standpunt dat de onjuiste matigingsfactor [5] op de proceskostenvergoeding in bezwaar is toegepast. Ten onrechte is de matigingsfactor voor 2025 toegepast, terwijl de matigingsfactor uit 2024 toegepast dient te worden. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de proceskostenvergoeding in bezwaar op grond van artikel 30a, eerste lid, Wet WOZ op de juiste wijze is berekend.
3.9.
Niet in geschil is dat belanghebbende recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Uit de stukken van het dossier leidt de recht af dat ook niet in geschil is dat er 1 punt moet worden toegekend voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting.
3.10.
De rechtbank oordeelt als volgt. De matiging van de kosten van rechtsbijstand geldt voor bezwaar, (hoger) beroep, verzet of een verzoek om herziening tegen/van een besluit (beschikking of uitspraak) dat op of na 1 januari 2024 is bekendgemaakt. Belangrijk daarbij is dat de beoordeling van de kostenvergoeding per fase van de procedure geschiedt. De datum van toezending van de uitspraak op bezwaar of de uitspraak van de rechtbank is leidend, gelet op de tekst van de overgangsbepaling. [6] In dit geval is de aanslag opgelegd na 1 januari 2024 en de uitspraak op bezwaar is gedaan na 1 januari 2025. Artikel 30a van de Wet WOZ over de matiging van kosten van rechtsbijstand is dan ook van toepassing.
3.11.
Vervolgens komt de vraag op welke matigingsfactor van toepassing is. Per 1 januari 2025 is namelijk de betreffende factor gewijzigd naar aanleiding van jurisprudentie van de Hoge Raad. [7] Bij de invoering van die wetgeving is aangegeven dat dit is ingegeven door de wens van de wetgever om de vergoeding van (proces)kostenvergoedingen blijvend op (ongeveer) hetzelfde niveau te houden dat door de wetgever redelijk wordt geacht. [8] Gelet daarop ziet de rechtbank aanleiding om in dit geval voor de beoordeling van de vraag of de heffingsambtenaar de bezwaarkostenvergoeding juist heeft vastgesteld ook rekening te houden met deze regels. De rechtbank acht dat ook leiden tot een passende vergoeding in de omstandigheden van dit geval, omdat de vergoeding die dan wordt toegekend niet in betekenende mate (in negatieve zin) afwijkt van de vergoeding waar aanspraak op gemaakt kon worden ten tijde van het verrichten van de proceshandelingen. [9]
3.12.
Het voorgaande houdt in dat de heffingsambtenaar voor de kostenvergoeding in bezwaar de juiste methodiek heeft gevolgd. Desalniettemin heeft belanghebbende er terecht op gewezen dat de heffingsambtenaar een afrondingsfout heeft gemaakt. De heffingsambtenaar heeft dat zelf ook erkend. Het beroep is in zoverre gegrond en de rechtbank zal de kostenvergoeding in bezwaar vaststellen op € 161,76.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat de heffingsambtenaar tijdens de bezwaarprocedure ten onrechte de opgevraagde gegevens, voor wat betreft de op de zaak betrekking hebbende stukken (de iWOZ-rapportages en PMA-inlichtingenformulieren), niet heeft toegezonden. Volgens belanghebbende is artikel 40 vanPro de Wet WOZ geschonden. De rechtbank begrijpt dat belanghebbende daarbij doelt op de iWOZ-gegevens van de door de heffingsambtenaar gehanteerde referentiewoningen. IWOZ is een door de Vereniging Nederlandse Gemeenten samengestelde verzameling objectgegevens en foto’s van te koop aangeboden woningen in Nederland. Deze gegevens zijn afkomstig van publiekelijk toegankelijke, door makelaars gepubliceerde verkoopadvertenties. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de iWOZ-rapportages niet behoren tot de in artikel 40, tweede lid van de Wet WOZ te verstrekken gegevens.
3.14.
Op grond van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ moet aan degene die een voldoende specifiek verzoek doet tot het verstrekken van bepaalde gegevens die niet in het taxatieverslag zijn opgenomen, maar die wel ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde van de onroerende zaak, een afschrift van die gegevens worden verstrekt. Deze gegevens kunnen ook betrekking hebben op de voor de waardevaststelling gebruikte vergelijkingsobjecten. [10]
3.15.
De iWOZ-rapportages en de PMA-inlichtingenformulieren van de referentiewoningen behoren in beginsel niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 AwbPro. De heffingsambtenaar is daarom niet verplicht deze gegevens over te leggen. Dit is slechts anders als voorgenoemde stukken door de heffingsambtenaar zijn gebruikt om tot een onderbouwing van de WOZ-waarde van de woning te komen. [11] Naar aanleiding van de verklaring van de heffingsambtenaar en de taxateur ter zitting maakt de rechtbank op dat de stukken waar belanghebbende in de bezwaarfase om heeft verzocht weldegelijk zijn gebruikt ter onderbouwing van de WOZ-waarde van de woning.
3.16.
Belanghebbende heeft aan de heffingsambtenaar een voldoende specifiek verzoek gedaan tot het verstrekken van bepaalde gegevens. Uit het voorgaande (zie overweging 3.16) blijkt dat deze gegevens ten grondslag liggen aan de vastgestelde WOZ-waarde van de woning. De heffingsambtenaar was daarom op grond van artikel 40 vanPro de Wet WOZ gehouden te voldoen aan het verzoek van belanghebbende om hem een afschrift van die gegevens te verstrekken. De heffingsambtenaar heeft aan deze verplichting in de bezwaarfase niet voldaan.
3.17.
Schending van artikel 40 vanPro de Wet WOZ leidt op zichzelf niet direct tot een vernietiging van de uitspraak op bezwaar. Een schending van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 AlgemenePro wet bestuursrecht (hierna: Awb), tenzij sprake is van een benadeling. Daarvan is sprake indien aannemelijk is dat de uitspraak op bezwaar dezelfde uitkomst zou hebben gehad als de heffingsambtenaar wel tijdig alle gegevens als bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ zou hebben verstrekt en de belanghebbende zijn inbreng (mede) op die gegevens zou hebben gebaseerd. [12] De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om de schending van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ te passeren met toepassing van artikel 6:22 vanPro de Awb. Gelet op het hierna volgende oordeel ten aanzien van de waarde-onderbouwing door de heffingsambtenaar zou de uitspraak op bezwaar geen andere uitkomst hebben gehad bij tijdige verstrekking van de gegevens. [13] Wel is deze schending aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding en een vergoeding van het griffierecht.
Toetsingskader van de rechtbank
3.18.
Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de woning bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding". [14]
3.19.
De waarde van de woning is bepaald met de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de WOZ-waarde niet te hoog heeft vastgesteld.
3.20.
Pas als de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de rechtbank toe aan de vraag of belanghebbende de door hem verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Indien ook dat laatste niet het geval is, kan de rechtbank schattenderwijs zelf tot een vaststelling van de in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ bedoelde waarde komen.
De onderbouwing van de WOZ-waarde door de heffingsambtenaar
3.21.
De heffingsambtenaar heeft aan de waardevaststelling in beroep een taxatiematrix met bijbehorende bijlagen ten grondslag gelegd dat op 23 juni 2025 door taxateur [taxateur] is opgemaakt.
3.22.
In de taxatiematrix is de waarde van de woning op basis van een vergelijking met referentiewoningen vastgesteld op een getaxeerde waarde van € 730.000 naar de waardepeildatum 1 januari 2023. Als referentiewoningen zijn gebruikt de woningen aan [referentiewoning 1] , [referentiewoning 2] , [referentiewoning 3] en [referentiewoning 4] alle te [plaats] . In de taxatiematrix zijn voornoemde referentiewoningen vergeleken met de woning.
Zijn de referentiewoningen voldoende vergelijkbaar met de woning?
3.23.
De rechtbank acht de gebruikte referentiewoningen wat betreft uitstraling, ligging,
bouw, gebruiksoppervlakte en grondoppervlakte voldoende vergelijkbaar met de woning. Drie van de vier referentiewoningen zijn bovendien voldoende dichtbij de waardepeildatum, namelijk binnen één jaar daarvoor of daarna, verkocht. De [referentiewoning 4] te [plaats] is net daarbuiten verkocht, namelijk 9 oktober 2021 (oplevering 10 januari 2022). De rechtbank acht de verkoopdatum van deze referentiewoning niet dusdanig ver van de waardepeildatum gelegen, dat deze woning niet als onderbouwing kan dienen voor de WOZ-waarde van de woning. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding deze woning buiten beschouwing te laten en concludeert dat alle gebruikte referentiewoningen kunnen dienen ter onderbouwing van de WOZ-waarde van de woning.
Heeft de heffingsambtenaar voldoende rekening gehouden met de verschillen tussen de woning en de referentiewoningen?
3.24.
De heffingsambtenaar heeft naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate inzichtelijk gemaakt op welke wijze rekening is gehouden met de verschillen tussen de referentiewoningen en de woning. Zo zijn aan aparte onderdelen zoals de drie dakkapellen, de berging/schuur kapconstructie, het tuinhuis/blokhut en de overkapping/luifel afzonderlijke waarden toegekend. Ook zijn de verkoopprijzen van de referentiewoningen geïndexeerd naar de waardepeildatum. Daarnaast heeft de heffingsambtenaar aan alle woningen KOUDV-factoren toegekend en zijn bij zowel de woning als bij de referentiewoningen correcties toegepast voor het voorzieningenniveau en de ligging ten opzichte van de woning. Het betreffen zowel neerwaartse correcties als opwaartse correcties. De rechtbank is daarom van oordeel dat de heffingsambtenaar hiermee inzichtelijk heeft gemaakt dat met de verschillen rekening is gehouden.
3.25.
Belanghebbende heeft ter zitting aangevoerd dat de ligging van de woning slechter is dan de ligging van de door de heffingsambtenaar gebruikte referentiewoningen. Volgens belanghebbende heeft de heffingsambtenaar onvoldoende rekening gehouden met het feit dat de woning in het buitengebied ligt terwijl de referentiewoningen allemaal in de kern van [plaats] liggen. De heffingsambtenaar heeft naar het oordeel van de rechtbank met de taxatiematrix in voldoende mate inzichtelijk gemaakt op welke wijze rekening is gehouden met de verschillen tussen de referentiewoningen en de woning voor wat betreft de ligging. Daarnaast heeft de heffingsambtenaar bij [referentiewoning 2] te [plaats] één opwaartse correctie toegepast, hetgeen in het voordeel van belanghebbende komt. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om een verdere correctie toe te passen. De blote stelling van belanghebbende dat de woning in tegenstelling tot de referentiewoningen in het buitengebied ligt doet daar niet aan af.
3.26.
De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar inzichtelijk heeft gemaakt dat met de verschillen, in het bijzonder de voorzieningen, rekening is gehouden. De rechtbank merkt op dat het een aanvaardbare werkwijze van de heffingsambtenaar is om in beginsel voor alle KOUDV-factoren uit te gaan van een gemiddelde staat. Belanghebbende heeft enkel ter zitting aangevoerd dat het voorzieningenniveau naar beneden dient te worden bijgesteld. De rechtbank overweegt dat belanghebbende zijn stelling niet heeft onderbouwd en ziet om die reden geen aanleiding voor het oordeel dat de heffingsambtenaar de gemiddelde staat van voorzieningen niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat belanghebbende feiten en omstandigheden moet stellen om de waardering van de KOUDV-factoren te ontzenuwen. De blote stelling van belanghebbende is hiervoor onvoldoende.
3.27.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de waarde van de woning voor het belastingjaar 2024 niet te hoog vastgesteld.
4.Conclusie en gevolgen
4.1.
Het beroep is gegrond voor wat betreft de beslissing ten aanzien van de kostenvergoeding in bezwaar. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de kostenvergoeding. Voor het overige is het beroep ongegrond.
4.2.
Omdat het beroep gegrond is verklaard en sprake was van een gebrek dat met toepassing van artikel 6:22 vanPro de Awb is gepasseerd, moet de heffingsambtenaar het griffierecht vergoeden.
4.3.
Belanghebbende krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten in beroep. Voor het achterwege laten daarvan vanwege bijzondere omstandigheden als bedoeld in de jurisprudentie van de Hoge Raad bestaat geen aanleiding. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. Belanghebbende heeft recht op 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde van € 907. De forfaitaire proceskostenvergoeding voor de beroepsfase wordt op grond van artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ met een factor van 0,25 vermenigvuldigd. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 453,50. Wel ziet de rechtbank aanleiding om de vergoeding te matigen wegens samenhang. Er is namelijk sprake van zaken waarin een vergoeding wordt toegekend wegens een geconstateerde schending van artikel 40, tweede lid van de Wet WOZ en een onjuiste berekening van de hoogte van de kostenvergoeding in bezwaar. Hierover is door vier verschillende belanghebbenden die door gemachtigde worden vertegenwoordigd geklaagd in procedures die (nagenoeg) gelijktijdig zijn behandeld, waarbij de betreffende rechtsbijstand nagenoeg identiek is geweest. De omstandigheid dat daarbij nog een aanvullend geschilpunt aanwezig was, acht de rechtbank in dit geval geen aanleiding om geen samenhang te constateren. [15] De rechtbank zal dan ook een factor van 1,5 hanteren, waardoor de in totaal toe te kennen vergoeding € 680,25 bedraagt. Per zaak zal een bedrag van € 170,07 worden toegekend. De rechtbank acht dat aanvullend op basis van artikel 2, tweede lid van het Besluit proceskosten bestuursrecht een passende vergoeding gelet op de aanleiding voor de toekenning van de proceskostenvergoeding. Door de schending van artikel 40 vanPro de Wet WOZ is belanghebbende namelijk niet benadeeld, waardoor deze schending op basis van artikel 6:22 AwbPro gepasseerd is. Verder vindt het gelijk van belanghebbende ten aanzien van de kostenvergoeding zijn oorsprong in een afrondingsverschil van € 0,02.
5.Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep voor zover het is gericht tegen de beslissing over de kostenvergoeding gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de kostenvergoeding;
veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van een vergoeding voor de kosten van bezwaar aan belanghebbende van € 161,76 onder verrekening van hetgeen reeds is betaald;
verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van een vergoeding voor de kosten in beroep aan belanghebbende van € 170,07.
bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden;
beslist dat, voor zover de (proces)kostenvergoedingen en het griffierecht niet tijdig worden betaald, de wettelijke rente daarover in zoverre is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van M.M.I. van Dijk-Saris, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.