De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 5 december 2025 uitspraak gedaan over de beroepen van eiseres tegen twee besluiten van het UWV. Het eerste besluit betrof het opleggen van een maatregel waarbij de Ziektewet-uitkering aan betrokkene werd geweigerd wegens het plegen van een benadelingshandeling door het ondertekenen van een vaststellingsovereenkomst tijdens ziekte. Het tweede besluit betrof de terugvordering van een ten onrechte ontvangen Werkloosheidswet-uitkering.
De feiten tonen dat betrokkene sinds juli 2022 werkzaam was als interieurverzorgster en vanaf november 2022 ziek uitviel. Na beëindiging van het dienstverband per 1 februari 2023 vroeg zij een ZW-uitkering aan. De verzekeringsarts concludeerde dat er geen medische reden was voor ontslag en dat betrokkene haar handelen kon overzien. Het UWV kende de ZW-uitkering toe maar legde tegelijkertijd een maatregel op wegens benadelingshandeling. Betrokkene maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard.
Daarnaast werd de WW-uitkering toegekend per 1 maart 2023, maar later ingetrokken omdat betrokkene ziek was en niet beschikbaar voor werk. Het UWV vorderde de ontvangen bedragen terug. Betrokkene maakte bezwaar, dat eveneens ongegrond werd verklaard. De rechtbank oordeelde dat de benadelingshandeling terecht was vastgesteld en dat geen dringende redenen waren om van terugvordering af te zien. De beroepen werden ongegrond verklaard, zonder vergoeding van proceskosten of griffierecht.