Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Feiten
- dat de heer [naam 3] en de heer [naam 1] elkaar al jaren geleden hebben leren kennen;
- dat de heer [naam 1] medio 2019 aan de heer [naam 3] heeft laten weten dat hij het kantoor had verkocht aan [bedrijf 1] ;
- dat de heer [naam 3] toen heeft gevraagd of het de heer [naam 1] vrij stond voor anderen te gaan werken. Dat hij kenbaar heeft gemaakt dat hij op zoek was naar iemand die in staat was hem “te ontlasten” en zijn zoon in te werken als opvolger en praktijkhouder;
- dat de heer [naam 1] heeft aangegeven dat het relatie en concurrentiebeding een mogelijke samenwerking, hoe dan ook, niet in de weg hoefde te staan. Dat in de loop van 2020, als de afspraak met [bedrijf 1] was geëindigd, een mogelijke samenwerking bespreekbaar zou kunnen worden gemaakt;
- dat de samenwerking medio 2020 verder is besproken en hierbij is afgesproken dat de heer [naam 1] de mogelijkheid zou hebben om in het kantoor van de heer [naam 3] te participeren, maar dat het wel van belang was elkaar ook zakelijk verder te leren kennen;
- dat is afgesproken dat de heer [naam 1] een bepaalde tijd zou werken op basis van een overeenkomst van opdracht. Hierbij zou de heer [naam 1] de zoon van de heer [naam 3] begeleiden, kennis maken met de organisatie en zich kunnen inwerken en het kantoor mede ontwikkelen. Indien dit zich naar beider tevredenheid zou ontwikkelen, dan zou de heer [naam 1] de mogelijkheid hebben te participeren in de organisatie, dit uitsluitend na hun beider instemming;
- dat de samenwerking al twee jaar loopt en dat aan het einde van het jaar de samenwerking wordt geëvalueerd en de zakelijke toekomst en voortzetting van de samenwerking wordt besproken.
Motivering
.Het aanbod kwam onverwachts en de heer [naam 1] wilde en kon financieel ook nog niet stoppen met werken. De heer [naam 1] was destijds reeds bekend met [bedrijf 2] . De heer [naam 1] en [bedrijf 2] hebben een overeenkomst van opdracht gesloten op grond waarvan de heer [naam 1] werkzaamheden voor [bedrijf 2] zou gaan verrichten om te bezien of het mogelijk was om in [bedrijf 2] te gaan participeren. Als dat contact er niet was geweest, dan had de heer [naam 1] destijds gezocht naar een andere participatiemogelijkheid.