ECLI:NL:RBZWB:2025:8593

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 december 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
BRE 23/9574
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.54 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen weigering herinvesteringsreserve bij verkoop onderneming 2019

Belanghebbende B.V. heeft haar onderneming in 2019 verkocht en in haar aangifte vennootschapsbelasting een herinvesteringsreserve (HIR) gevormd van €914.800. De inspecteur heeft deze HIR geweigerd omdat het herinvesteringsvoornemen niet aannemelijk was gemaakt. De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2025 behandeld en beoordeelt of de aanslag vennootschapsbelasting over 2019 terecht is opgelegd.

De rechtbank stelt vast dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij op 31 december 2019 het voornemen had om de verkoopopbrengst te herinvesteren. De overeenkomst van opdracht tussen de heer [naam 1] en [bedrijf 2], waarin werkzaamheden werden verricht, betreft een privéovereenkomst en bevat geen participatievoornemen van belanghebbende. Ook het concurrentiebeding en de verklaring van [bedrijf 2] bieden onvoldoende bewijs voor een concreet herinvesteringsvoornemen.

De rechtbank concludeert dat de inspecteur terecht de HIR niet heeft geaccepteerd en dat de aanslag vennootschapsbelasting en belastingrente in stand blijven. Het beroep wordt ongegrond verklaard en belanghebbende krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag vennootschapsbelasting en belastingrente blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/9574

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 1 augustus 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 941.299.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 27.412 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende [naam 1] , de gemachtigde van belanghebbende en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag Vpb over het jaar 2019 niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Meer specifiek beoordeelt de rechtbank of belanghebbende een herinvesteringsreserve (HIR) mocht vormen ten aanzien van de met de verkoop van de onderneming behaalde boekwinst. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de aanslag Vpb over het jaar 2019 niet tot een te hoog bedrag opgelegd. Belanghebbende mocht geen HIR vormen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende is opgericht op 19 december 2018.
3.1.
De heer [naam 1] dreef vanaf 2005 een vennootschap onder firma met zijn echtgenote ( [naam 2] ) onder de naam [belanghebbende] VOF (de onderneming). De onderneming was actief als assurantietussenpersoon. De onderneming is ingebracht in belanghebbende.
3.2.
Belanghebbende heeft de onderneming in 2019 verkocht aan [bedrijf 1] U.A. ( [bedrijf 1] ). De leveringsdatum is bepaald op 1 juli 2019. De koopsom bedroeg € 914.800. De koopovereenkomst behoort tot de stukken van het dossier. In de koopovereenkomst is een relatiebeding opgenomen en non-concurrentiebeding dat geldt binnen een gebied van 20 kilometer rondom het kantooradres van belanghebbende.
3.3.
In de koopovereenkomst is ook bepaald dat [bedrijf 1] met belanghebbende een samenwerkingsovereenkomst zal sluiten waarbij de heer [naam 1] werkzaamheden ten behoeve van de onderneming van [bedrijf 1] zal verrichten. Bepaald is dat na een jaar de samenwerking zal worden geëvalueerd en partijen in overleg zullen vaststellen of een verlenging mogelijk is. De heer [naam 1] heeft tot 1 juni 2020 werkzaamheden uitgevoerd voor [bedrijf 1] .
3.4.
De heer [naam 1] heeft op 6 oktober 2020 een overeenkomst van opdracht gesloten met [bedrijf 2] . In deze overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:
“a. Opdrachtgever werkzaam is op het gebied van financiële advisering;
b. Opdrachtgever in het kader hiervan behoefte heeft aan een coachings- en ondersteuningsstraject op deze gebieden voor zowel de opdrachtgever zelf, alsmede meer specifiek ten behoeve van haar werknemer de heer [naam 3] ;
c. Opdrachtnemer in staat en bereid is deze werkzaamheden uit te voeren;
d. deze overeenkomst onder meer de inhuur van een deskundígheid betreft die Opdrachtgever (nog) niet zelf in huis heeft;
(…)
Artikel 1 De Pro opdracht
1.1
Opdrachtnemer verplicht zich voor de duur van de overeenkomst coachings- en ondersteuningswerkzaamheden op het gebied van financiële advisering te verrichten.”
3.5.
Belanghebbende heeft in haar aangifte Vpb over het jaar 2019 een HIR gevormd van € 914.800 ten laste van haar resultaat in verband met de verkoop van de onderneming. De belastbare winst bedroeg volgens de aangifte € 26.499.
3.6.
De inspecteur heeft op 25 mei 2022 aan belanghebbende vragen gesteld over de HIR en het herinvesteringsvoornemen. Vervolgens heeft diverse correspondentie tussen partijen daarover plaatsgevonden.
3.7.
Op verzoek van de heer [naam 1] heeft [bedrijf 2] met dagtekening 6 september 2022 een verklaring opgesteld ten aanzien van de totstandkoming en intentie van de overeenkomst van opdracht. Hierin staat verkort weergegeven:
  • dat de heer [naam 3] en de heer [naam 1] elkaar al jaren geleden hebben leren kennen;
  • dat de heer [naam 1] medio 2019 aan de heer [naam 3] heeft laten weten dat hij het kantoor had verkocht aan [bedrijf 1] ;
  • dat de heer [naam 3] toen heeft gevraagd of het de heer [naam 1] vrij stond voor anderen te gaan werken. Dat hij kenbaar heeft gemaakt dat hij op zoek was naar iemand die in staat was hem “te ontlasten” en zijn zoon in te werken als opvolger en praktijkhouder;
  • dat de heer [naam 1] heeft aangegeven dat het relatie en concurrentiebeding een mogelijke samenwerking, hoe dan ook, niet in de weg hoefde te staan. Dat in de loop van 2020, als de afspraak met [bedrijf 1] was geëindigd, een mogelijke samenwerking bespreekbaar zou kunnen worden gemaakt;
  • dat de samenwerking medio 2020 verder is besproken en hierbij is afgesproken dat de heer [naam 1] de mogelijkheid zou hebben om in het kantoor van de heer [naam 3] te participeren, maar dat het wel van belang was elkaar ook zakelijk verder te leren kennen;
  • dat is afgesproken dat de heer [naam 1] een bepaalde tijd zou werken op basis van een overeenkomst van opdracht. Hierbij zou de heer [naam 1] de zoon van de heer [naam 3] begeleiden, kennis maken met de organisatie en zich kunnen inwerken en het kantoor mede ontwikkelen. Indien dit zich naar beider tevredenheid zou ontwikkelen, dan zou de heer [naam 1] de mogelijkheid hebben te participeren in de organisatie, dit uitsluitend na hun beider instemming;
  • dat de samenwerking al twee jaar loopt en dat aan het einde van het jaar de samenwerking wordt geëvalueerd en de zakelijke toekomst en voortzetting van de samenwerking wordt besproken.
3.8.
Met dagtekening 29 oktober 2022 heeft de inspecteur een aanslag Vpb over het jaar 2019 opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 941.299. De inspecteur heeft de gevormde HIR niet geaccepteerd.
3.9.
Met dagtekening 22 november 2022 hebben de heer [naam 1] en [bedrijf 2] een verslag opgemaakt van de evaluatie van hun samenwerking. Daarin is vermeld dat beide gezamenlijk tot de conclusie zijn gekomen dat een participatie in de onderneming nog niet aan de orde is, omdat de (onzekere) verdiencapaciteit dat op dat moment nog niet toelaat. De beslissing over de beoogde participatie wordt uitgesteld naar eind 2023.
3.10.
De heer [naam 1] heeft tot en met 31 december 2024 op basis van de overeenkomst van opdracht werkzaamheden verricht voor [bedrijf 2] . Daarna is hij bij [bedrijf 2] in dienstbetrekking gekomen.
3.11.
Belanghebbende heeft niet binnen de herinvesteringstermijn die geldt voor de HIR geparticipeerd in [bedrijf 2] of een andere onderneming.

Motivering

4. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij een HIR mocht vormen, omdat sprake was van een herinvesteringsvoornemen. Op het moment dat de onderneming aan [bedrijf 1] werd verkocht was de heer [naam 1] 59 jaar en van plan om via belanghebbende te gaan participeren in een andere onderneming. Hiertoe voert belanghebbende aan dat met [bedrijf 1] een beperkt concurrentiebeding overeen is gekomen, de heer [naam 1] nog niet financieel onafhankelijk was en dat belanghebbende het voornemen had om in [bedrijf 2] te gaan participeren. Voorts wijst belanghebbende op de verklaring van [bedrijf 2] . Ter zitting is verder toegelicht dat belanghebbende heeft besloten de onderneming te verkopen, nadat zij door [bedrijf 1] werd benaderd met een aanbod om de onderneming over te nemen
.Het aanbod kwam onverwachts en de heer [naam 1] wilde en kon financieel ook nog niet stoppen met werken. De heer [naam 1] was destijds reeds bekend met [bedrijf 2] . De heer [naam 1] en [bedrijf 2] hebben een overeenkomst van opdracht gesloten op grond waarvan de heer [naam 1] werkzaamheden voor [bedrijf 2] zou gaan verrichten om te bezien of het mogelijk was om in [bedrijf 2] te gaan participeren. Als dat contact er niet was geweest, dan had de heer [naam 1] destijds gezocht naar een andere participatiemogelijkheid.
4.1.
De inspecteur is van mening dat bij belanghebbende geen concreet herinvesteringsvoornemen bestond en dus geen HIR gevormd kon worden. De inspecteur wijst erop dat het beperkte concurrentiebeding geen concreet herinvesteringsvoornemen aantoont. Voorts voert de inspecteur aan dat niet belanghebbende maar de heer [naam 1] partij is in de overeenkomst van opdracht en dat uit deze overeenkomst niet blijkt dat sprake is van een participatievoornemen. Ook de verklaring van [bedrijf 2] duidt volgens de inspecteur niet op een concreet herinvesteringsvoornemen bij belanghebbende. Tot slot stelt de inspecteur dat de heer [naam 1] met de Belastingdienst overleg heeft gevoerd over het pensioen en ook daaruit volgt dat geen sprake was van een herinvesteringsvoornemen.
4.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 3.54, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) mag bij de vervreemding van een bedrijfsmiddel een HIR worden gevormd, indien en zolang het voornemen tot herinvestering van de opbrengst bestaat. Het is aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat op de balansdatum een voornemen tot herinvesteren aanwezig was. [1]
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij op 31 december 2019 het voornemen had om de opbrengst van de verkoop van de onderneming te herinvesteren. De omstandigheid dat de heer [naam 1] ten tijde van de verkoop van de onderneming nog niet financieel onafhankelijk was en dat een beperkt concurrentiebeding is bedongen, rechtvaardigt niet de conclusie dat sprake zou zijn van een herinvesteringsvoornemen bij belanghebbende. De heer [naam 1] kon ook op andere wijze in zijn inkomen voorzien, zoals hij ook heeft gedaan. Ook uit de overeenkomst van opdracht volgt niet dat sprake was van een herinvesteringsvoornemen bij belanghebbende. Bij de overeenkomst van opdracht op grond waarvan de samenwerking met [bedrijf 2] tot stand is gekomen, staat niets over een mogelijke participatie in [bedrijf 2] of dat de overeenkomst met het oog daarop is gesloten. Belanghebbende was geen partij en zij wordt ook niet genoemd. Deze overeenkomst is aangegaan door de heer [naam 1] in privé. Uit de aangeleverde stukken volgt voorts niet dat in 2019 reeds is gesproken over de mogelijkheid om te participeren in [bedrijf 2] .
4.4.
Eerst in de verklaring van [bedrijf 2] van 6 september 2022, toen de Belastingdienst al concrete vragen had gesteld over de HIR en het herinvesteringsvoornemen, wordt gesproken over een afspraak dat de heer [naam 1] de mogelijkheid zou hebben om in [bedrijf 2] te participeren. Volgens deze verklaring zou de mogelijkheid om te participeren medio 2020 besproken zijn. In 2019 zou de heer [naam 3] alleen hebben gevraagd of de heer [naam 1] ook voor anderen mocht werken. Ook uit deze verklaring volgt dus niet dat op 31 december 2019 reeds sprake was van een voornemen tot herinvesteren bij belanghebbende. Pas in het verslag van het evaluatiegesprek van 22 november 2022 wordt belanghebbende genoemd als de mogelijke participant. De rechtbank acht dit onvoldoende om aannemelijk te maken dat bij belanghebbende op 31 december 2019 een voornemen tot herinvesteren bestond.
4.5.
Het voorgaande brengt mee dat de inspecteur het vormen van de HIR terecht niet heeft geaccepteerd. Tussen partijen is voor dat geval niet in geschil dat de aanslag tot het juiste bedrag is vastgesteld.
Belastingrente
4.6.
Het beroep heeft mede betrekking op de belastingrente. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Partijen hebben ter zitting afgesproken dat de inspecteur de belastingrente ambtshalve zal verminderen, indien de Hoge Raad in de reeds aanhangige zaak ten aanzien van de belastingrente in het voordeel van belanghebbende beslist. [2]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag Vpb en de belastingrentebeschikking in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier, op 8 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Hoge Raad 9 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6705.
2.Conclusie A-G Koopman 26 september 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1044.