Eiser maakte bezwaar tegen de inhoudingen op zijn WIA-uitkering, specifiek het niet toepassen van de arbeidskorting. Het UWV had een voorschot vastgesteld met inhoudingen, waardoor eiser een lager netto bedrag ontving. De rechtbank behandelde het beroep op 9 december 2025 en overwoog de recente jurisprudentie van de Hoge Raad van 15 november 2024.
De Hoge Raad oordeelde dat er sprake is van ongelijke behandeling tussen uitkeringsgerechtigden die hun uitkering rechtstreeks van het UWV ontvangen en degenen die dat via de werkgever doen, waarbij alleen in het laatste geval de arbeidskorting wordt toegepast. De Hoge Raad stelde dat het aan de wetgever is om deze ongelijkheid op te heffen, waardoor het UWV de arbeidskorting niet kan toepassen, ook niet met terugwerkende kracht.
De rechtbank benadrukte dat zij niet kan ingaan op de door eiser voorgestelde oplossing om de uitkering via de werkgever met terugwerkende kracht te laten betalen, omdat zij moet uitgaan van de feitelijke situatie. Gezien deze overwegingen verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij proceskostenvergoedingen af. Partijen werden gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.