ECLI:NL:RBZWB:2025:8767

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
25/216
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de niet-ontvankelijkheid van bezwaar tegen aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, gedateerd 8 december 2025, wordt het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst beoordeeld. De inspecteur had aan belanghebbende voor het jaar 2022 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen deze aanslag, maar de inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het te laat was ingediend. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende op betalingsonmacht gehonoreerd, waardoor er geen griffierecht verschuldigd was.

De rechtbank heeft de zaak op 31 oktober 2025 behandeld, maar beide partijen hebben zich afgemeld voor de zitting. De rechtbank concludeert dat de inspecteur ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank oordeelt dat belanghebbende wel degelijk een procesbelang heeft en dat het instellen van het rechtsmiddel mogelijk in een betere positie kan brengen. Daarom vernietigt de rechtbank de uitspraak op bezwaar en verwijst de zaak terug naar de inspecteur voor een inhoudelijke behandeling van het bezwaar.

Belanghebbende heeft recht op een proceskostenvergoeding van € 1.554, die door de inspecteur moet worden betaald. De rechtbank beslist dat, indien deze vergoeding niet tijdig wordt betaald, wettelijke rente verschuldigd is over het bedrag. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van de beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/216

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. A.C.S. Grégoire),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 2 januari 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende op betalingsonmacht gehonoreerd en daarom geen griffierecht voor het beroep geheven.
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de argumenten van belanghebbende, de beroepsgronden.
3. De rechtbank concludeert dat het bezwaar van belanghebbende ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard en verwijst de zaak terug naar de inspecteur. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. De inspecteur heeft op 21 juli 2023 aan belanghebbende een aanslag IB/PVV 2022 opgelegd. Hieruit volgt een te ontvangen/verrekenen bedrag van € 176. Dit bedrag is verrekend met de terug te betalen huurtoeslag 2018.
4.1.
Op 22 augustus 2023 ontvangt de inspecteur het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag IB/PVV 2022. Belanghebbende is het oneens met de verrekening van het te ontvangen bedrag € 176 met de huurtoeslag 2018. De inspecteur merkt dit bezwaar niet aan als een bezwaar tegen de aanslag IB 2021. De brief van de gemachtigde van 30 oktober 2024 merkt de inspecteur wel aan als bezwaar.
4.2.
Met dagtekening 2 januari 2025 heeft de inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat is ontvangen. Vervolgens is het bezwaar behandeld als een verzoek om ambtshalve vermindering en afgewezen.

Motivering

Vooraf

5. Het beroep op betalingsonmacht door belanghebbende was voorlopig toegekend. De rechtbank ziet geen aanleiding om terug te komen op de eerdere voorlopige toewijzing. Er is dus geen griffierecht verschuldigd.
Niet-ontvankelijkheid bezwaar
5.1.
De rechtbank ziet zich in deze zaak uitsluitend voor de vraag gesteld of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank beoordeelt daartoe alleen de uitspraak op bezwaar en niet de beslissing op de ambtshalve vermindering, omdat voor die laatste beslissing de bezwaarfase nog niet is doorlopen. Naar de rechtbank begrijpt, wenst belanghebbende ook alleen beroep in te stellen tegen de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar.
5.2.
Belanghebbende verzoekt om terugwijzing van de zaak aan de inspecteur. Daartoe voert belanghebbende aan dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard omdat geen sprake is van een termijnoverschrijding en de uitspraak op bezwaar niet op de juiste wijze bekend is gemaakt. Verder verzoekt belanghebbende om een proceskostenvergoeding en een schadeloosstelling in de vorm van wettelijke rente over na te betalen bedragen.
5.3.
De inspecteur stelt dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Hoewel de inspecteur zich gedurende de beroepsfase op het standpunt heeft gesteld dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend, is hij van mening dat het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. Dit volgt uit het gegeven dat het ingestelde beroep belanghebbende niet in een betere rechtspositie kan brengen, aldus de inspecteur.
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur ten onrechte heeft geoordeeld dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. De hoge raad heeft bepaald dat niet-ontvankelijkverklaring moet volgen als het aanwenden van het rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, belanghebbende niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht. Als het aangewende rechtsmiddel belanghebbende wel in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit dan wel eventuele bijkomende beslissingen en voldaan is aan de overige ontvankelijkheidsvereisten, moet het rechtsmiddel ontvankelijk worden geacht. De door de indiener aangevoerde gronden moeten worden onderzocht en er moet worden beoordeeld of het rechtsmiddel wel of niet gegrond is. [1] Anders dan de inspecteur betoogt, heeft belanghebbende weldegelijk een procesbelang. Het gaat er om of het instellen van het rechtsmiddel belanghebbende in een betere positie kan brengen ongeacht of de gronden die belanghebbende daartoe aanvoert ook daadwerkelijk tot een betere positie kunnen leiden. Aangezien belanghebbende een procesbelang heeft, kan het bezwaar niet op die grond niet-ontvankelijk worden verklaard.
5.5.
Nu de inspecteur het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, zal de rechtbank de uitspraak op bezwaar vernietigen en de zaak terugwijzen naar de inspecteur en hem opdragen om met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de rechtbank de uitspraak op bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag IB/PVV voor het jaar 2022 vernietigt. De rechtbank wijst het bezwaar terug naar de inspecteur voor een inhoudelijke behandeling.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgt belanghebbende een vergoeding van zijn proceskosten voor de bezwaar- en beroepsfase. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 647 in beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907. Belanghebbende heeft in bezwaar en beroep verzocht om een proceskostenvergoeding. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift (1 punt) ingediend en een beroepschrift (1 punt) ingediend. De vergoeding bedraagt, uitgaande van wegingsfactor 1, in totaal € 1.554. Belanghebbende heeft recht op een vergoeding van wettelijke rente indien de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase niet aan belanghebbende wordt uitbetaald binnen vier weken na de datum van deze uitspraak. [2]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- draagt de inspecteur op (opnieuw) uitspraak op bezwaar te doen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.554;
- beslist dat, indien de proceskostenvergoeding niet tijdig wordt betaald, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Panah, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Vgl. Hoge Raad 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878.
2.Hoge Raad 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358