In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, gedateerd 8 december 2025, wordt het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van de Belastingdienst beoordeeld. De inspecteur had aan belanghebbende voor het jaar 2022 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen deze aanslag, maar de inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het te laat was ingediend. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende op betalingsonmacht gehonoreerd, waardoor er geen griffierecht verschuldigd was.
De rechtbank heeft de zaak op 31 oktober 2025 behandeld, maar beide partijen hebben zich afgemeld voor de zitting. De rechtbank concludeert dat de inspecteur ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank oordeelt dat belanghebbende wel degelijk een procesbelang heeft en dat het instellen van het rechtsmiddel mogelijk in een betere positie kan brengen. Daarom vernietigt de rechtbank de uitspraak op bezwaar en verwijst de zaak terug naar de inspecteur voor een inhoudelijke behandeling van het bezwaar.
Belanghebbende heeft recht op een proceskostenvergoeding van € 1.554, die door de inspecteur moet worden betaald. De rechtbank beslist dat, indien deze vergoeding niet tijdig wordt betaald, wettelijke rente verschuldigd is over het bedrag. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van de beslissing.