ECLI:NL:RBZWB:2025:8811

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
24/6966
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanvullende compensatie voor werkelijke schade in het kader van hersteloperatie kinderopvangtoeslag

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de hoogte van de aan hem toegekende aanvullende compensatie voor de werkelijke schade in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag. De rechtbank komt tot het oordeel dat Dienst Toeslagen de hoogte van de aanvullende compensatie correct heeft vastgesteld. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. De rechtbank legt uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

In het besluit van 3 januari 2022 is aan eiser een bedrag van € 25.250,- aan aanvullende compensatie toegekend. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt, maar het bezwaar is ongegrond verklaard in het bestreden besluit van 29 augustus 2024. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. De rechtbank heeft het beroep op 28 oktober 2025 behandeld. Eiser, zijn echtgenote, de gemachtigde van eiser en vertegenwoordigers van Dienst Toeslagen waren aanwezig.

Eiser, een gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire, heeft een verzoek om aanvullende compensatie ingediend. Hij stelt dat de toegekende compensatie te laag is en dat er voor verschillende schadeposten geen compensatie is toegekend. De rechtbank oordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er causaal verband bestaat tussen de problemen rondom de kinderopvangtoeslag en zijn arbeidsongeschiktheid en inkomensachteruitgang. De rechtbank concludeert dat de Dienst Toeslagen op goede gronden heeft geconcludeerd dat het causaal verband niet aannemelijk is gemaakt. Eiser heeft ook verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, wat de rechtbank toekent tot een bedrag van € 2.000,-. Het beroep is ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/6966

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S.C. Scheermeijer),
en

Dienst Toeslagen (voorheen Belastingdienst/Toeslagen), verweerder.

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de hoogte van de aan hem toegekende aanvullende compensatie voor de werkelijke schade in het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat Dienst Toeslagen de hoogte van de aanvullende compensatie voor de werkelijke schade correct heeft vastgesteld. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. In het besluit van 3 januari 2022 is aan eiser in het kader van de hersteloperatie toeslagen een bedrag van € 25.250,- aan aanvullende compensatie voor de werkelijke schade toegekend. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.
2.1.
In het besluit van 29 augustus 2024 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard. Voor het voeren van de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) is een vergoeding van € 500,- toegekend.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 28 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn echtgenote [persoon 1] , de gemachtigde van eiser en namens Dienst Toeslagen mr. [persoon 2] en mr. [persoon 3] .

Beoordeling door de rechtbank

Feiten
3. Eiser is een gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire. In dat kader heeft hij voor de jaren 2007, 2009 en 2010 een compensatiebedrag ontvangen van in totaal € 53.320,-.
Eiser heeft vervolgens een verzoek om aanvullende compensatie voor de werkelijk geleden schade ingediend bij de CWS.
3.1.
Bij het besluit van 3 januari 2022 (primair besluit) heeft Dienst Toeslagen aan eiser een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade toegekend van € 25.250,- conform het advies van de CWS van 9 december 2021. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.
3.2.
Met het bestreden besluit van 29 augustus 2024 heeft Dienst Toeslagen het bezwaar ongegrond verklaard in navolging van het advies van de bezwaarschriften-adviescommissie (BAC) van 15 augustus 2024. Daarnaast heeft Dienst Toeslagen getoetst aan het op 1 juli 2024 door de CWS gepubliceerde nieuwe schadekader. Dit heeft geleid tot het toekennen van € 500,- voor het voeren van een procedure bij de CWS. De totale aanvullende compensatie komt hiermee op € 25.750,-
Beroepsgronden
4. Eiser stelt dat de toegekende compensatie voor de werkelijke schade te laag is. Volgens eiser is voor een aantal schadeposten, veroorzaakt door de toeslagenaffaire, ten onrechte geen compensatie toegekend. Het gaat dan om inkomensschade van hemzelf en zijn echtgenote, en vermogensschade vanwege het noodgedwongen aanwenden van erfenissen, de noodgedwongen verkoop van de woning en het huren van een woning. De immateriële schadevergoeding is volgens eiser te laag vastgesteld.
Eiser stelt verder dat het schadekader dat door de Stichting (Gelijk)waardig Herstel (SGH) wordt gehanteerd, op onderdelen tot een hogere schadevergoeding zou hebben geleid.
Tot slot stelt eiser dat hij recht heeft op een schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.
Eisers beroepsgrond over geleden schade door het gedwongen afbreken van het leasecontract van zijn auto heeft hij ter zitting niet langer gehandhaafd.
Toetsingskader
5. In artikel 2.1, derde lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), is bepaald dat aan een aanvrager van compensatie die aannemelijk maakt dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan een bedrag als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid en met zevende lid, op aanvraag door Dienst Toeslagen aanvullende compensatie voor de werkelijk schade wordt toegekend.
5.1.
De aanvrager van de compensatie hoeft zijn schade niet te bewijzen, maar moet wel aannemelijk en concreet maken dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade het toegekende compensatiebedrag te boven gaat. Als hij daarin slaagt heeft hij op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wht in beginsel recht op door hem aangevraagde aanvullende compensatie voor de werkelijke schade. Dienst Toeslagen dient bij zijn besluit op de aanvraag om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade aansluiting te zoeken bij het civiele schadevergoedingsrecht. Hetzelfde geldt voor de bestuursrechter bij de toetsing van een dergelijk besluit. Dat betekent dat de bestuursrechter de aansprakelijkheid voor de schade en de omvang daarvan ten volle toetst, uitgaande van wat daarover tussen Dienst Toeslagen en de aanvrager in geschil is. [1]
5.2.
Het schadekader dat sinds juli 2024 wordt toegepast door de CWS, en ook in het bestreden besluit is gehanteerd, is neergelegd in ‘De werkwijze en het schadekader van de Commissie Werkelijke Schade’ [2] (Schadekader CWS). In dit document is aangegeven hoe de immateriële schade en materiële schade wordt berekend aan de hand van diverse bouwstenen en kostenposten.
5.3.
Eiser heeft betoogd dat bij de beoordeling van de aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade niet alleen gekeken moet worden naar het Schadekader CWS, maar ook naar het schadekader dat de SGH hanteert, omdat de vergoeding via de SGH-route vaak hoger uitvalt dan de vergoeding bij de CWS-route. Op het moment dat eiser zijn aanvraag voor aanvullende compensatie indiende, bestond de mogelijkheid van de SGH-route nog niet.
5.4.
De rechtbank stelt vast dat er thans voor het bepalen van de werkelijk geleden schade meer schaderoutes met afzonderlijke schadekaders mogelijk zijn.
Zo kunnen gedupeerde ouders sinds september 2023 ook via de zogenoemde SGH-route gecompenseerd worden. Het schadekader binnen de SGH-route bevat een aantal schadeposten waaraan een vaste forfaitaire vergoeding is verbonden. Het gaat bij deze route niet om het vaststellen van de daadwerkelijk geleden schade maar om een (gewogen) forfaitair bedrag op basis van aannemelijkheid van causaliteit. [3] Deze route leidt tot een vaststellingsovereenkomst.
5.5.
De rechtbank overweegt dat het in deze beroepsprocedure te beoordelen besluit is genomen op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wht. In dat kader is de CWS aangewezen als adviserende commissie. [4] Aan de CWS is onder meer de taak opgedragen om schadekaders ten behoeve van haar adviestaak op te stellen en aan te passen. [5] Het opgestelde schadekader CWS is daarom terecht door de Dienst Toeslagen, in navolging van het advies van de CWS, in het bestreden besluit gehanteerd. Dat eiser, op basis van enkele voorbeelden, stelt dat het schadekader van de SGH-route voor hem gunstiger zou kunnen uitpakken, kan dan ook niet leiden tot het toepassen van dat kader. Het is niet mogelijk om te ‘shoppen’ uit onderdelen van de schadekaders al naar gelang er op concrete punten een hogere schadevergoeding zou volgen. Overigens geldt dat, indien en voor zover het ene schadekader ten opzichte van een ander schadekader op onderdelen gunstiger zou uitvallen, dat nog niet betekent dat dat over de hele linie het geval is. [6]
De omstandigheid dat eiser bij zijn aanvraag om aanvullende compensatie niet de keuze heeft gehad om de SGH-route te volgen, omdat deze route op dat moment nog niet bestond, leidt niet tot een ander oordeel. [7]
Te beoordelen schadeposten
6. Hierna zullen de schadeposten worden beoordeeld waarvoor volgens eiser geen of te weinig schadevergoeding is toegekend.
Inkomensschade door arbeidsongeschiktheid
7. Eiser heeft aangevoerd dat hij een goedlopend schildersbedrijf had. Als gevolg van de neurologische aandoening reflex syncope (kort bewustzijnverlies door daling van bloeddruk of hartslag) kon hij zijn beroep als schilder niet meer uitvoeren. Stress en spanning verergeren zijn klachten acuut. Door de stress rondom de problemen met de kinderopvangtoeslag werd de reflex syncope zo getriggerd dat hij zijn werk niet meer kan doen en leeft van een WIA-uitkering. Eisers echtgenote heeft psychische klachten gekregen door de problemen met de kinderopvangtoeslag en is niet meer in staat te werken.
De toeslagenaffaire is een blijvende stressfactor in het leven van eiser en zijn echtgenote. Er bestaat causaal verband tussen problemen met de kinderopvangtoeslag en de arbeidsongeschiktheid van eiser en zijn echtgenote. De aanhoudende stress en het handelen van Dienst Toeslagen heeft volgens eiser tot verlies aan arbeidsvermogen geleid.
7.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiser kampt met de neurologische aandoening reflex syncope, dat zijn echtgenote psychische klachten heeft en dat zij beiden een WIA-uitkering ontvangen. Partijen zijn verdeeld over de vraag of er causaal verband bestaat tussen de problemen rondom de kinderopvangtoeslag en de inkomensachteruitgang van eiser en zijn echtgenote.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat de problemen rondom de kinderopvangtoeslag voortkwamen uit het op nihil stellen van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2007, 2009 en 2010. Eiser is daardoor in de periode van 20 juli 2009 tot 29 oktober 2013 geconfronteerd met terugvorderingen. In totaal is in deze periode een bedrag van € 10.354,- ten laste van eiser verrekend of door eiser betaald. De totale schuld betrof een bedrag van € 31.522,- waarvan een bedrag van € 21.171,- is afgeboekt als oninbaar.
7.3.
Dienst Toeslagen acht het voorstelbaar dat de terugvorderingen spanningen hebben veroorzaakt bij eiser en zijn gezin. Op basis van het door eiser verstrekte informatie acht CWS het echter niet aannemelijk gemaakt dat eiser en zijn echtgenote als gevolg daarvan beiden vrijwel volledig arbeidsongeschikt zijn geworden en dat de gestelde inkomensschade het directe gevolg is van de stopzetting en terugvordering van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2007, 2009 en 2010. Volgens Dienst Toeslagen ontbreekt relevante informatie, te weten informatie over het einde van het dienstverband van de echtgenote van eiser, inzicht in de medische rapportages van bijvoorbeeld behandelaren en/of het UWV van zowel eiser als zijn echtgenote in verband met hun beider arbeidsongeschiktheid en een toelichting op de gezondheidssituaties vanaf medio 2009, het moment waarop eiser werd geconfronteerd met de eerste terugvorderingen. Ook in bezwaar heeft eiser deze stukken niet overgelegd.
7.4.
Eiser heeft weliswaar gesteld dat hij in bezwaar wel medische stukken heeft overgelegd, maar die stelling is niet onderbouwd. Verder blijkt uit een e-mailbericht van 12 december 2022 van [persoon 4] van de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen aan eiser, dat eiser in de gelegenheid is gesteld om de ontbrekende stukken in te sturen, welke daarna zouden worden doorgezonden naar de CWS voor aanvullend advies. Volgens de inhoud van deze e-mail heeft eiser echter geen gebruik gemaakt van die gelegenheid en heeft hij verklaard dat de bezwaarprocedure bij de BAC te willen vervolgen.
7.5.
De rechtbank acht aannemelijk dat de stopzetting en terugvordering van de kinderopvangtoeslag hebben geleid tot stress en dat eiser en zijn gezin hierdoor in een moeilijke situatie zijn komen te verkeren. Echter, eiser zal aannemelijk moeten maken dat er causaal verband bestaat tussen de problematiek rondom de kinderopvangtoeslag en de medische klachten en daarop volgende arbeidsongeschiktheid en inkomensachteruitgang. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Dienst Toeslagen door het ontbreken van achterliggende medische stukken, in het bestreden besluit op goede gronden geconcludeerd dat dit causaal verband niet aannemelijk is gemaakt.
7.6.
In de beroepsfase heeft eiser alsnog medische stukken ingediend, te weten brieven van de neuroloog van 15 juni 2017 en 8 februari 2024 over eiser en een rapportage van een verzekeringsarts van 8 september 2021 met de WIA-beoordeling van de echtgenote van eiser. Verder heeft eiser op 15 oktober 2025 een grote hoeveelheid stukken ingediend, waarvan de rechtbank op de zitting besloten heeft dat deze stukken worden toegelaten voor zover daarnaar (in de begeleidende brief) is verwezen. Dat zijn in dit kader de brief van de neuroloog van 4 december 2024 en een (ongelakt) behandelplan van de GGZ van 26 oktober 2020 van de echtgenote van eiser.
7.7.
Deze stukken geven Dienst Toeslagen geen aanleiding om anders over het causaal verband te oordelen. De rechtbank kan Dienst Toeslagen daarin volgen.
Uit de brieven van eisers neuroloog blijkt weliswaar dat bewustzijnverlies vanwege de reflex syncope gerelateerd is aan negatieve stress, maar niet duidelijk is vanaf wanneer sprake was van de reflex syncope, of deze is ontstaan als gevolg van de stress rondom de kinderopvangtoeslag en of de reflex syncope heeft geleid tot eisers arbeidsongeschiktheid. Er is namelijk niet met stukken onderbouwd op grond van welke (andere) klacht(en) eiser op 6 januari 2014 arbeidsongeschikt is geworden.
Ten aanzien van eisers echtgenote blijkt uit de overgelegde stukken dat zij in 2016 opnieuw is gaan werken, op 5 september 2019 arbeidsongeschikt is geworden vanwege psychische klachten en vanaf 2 september 2021 een WIA-uitkering heeft. Bij de beoordeling van het causaal verband zal buiten beschouwing worden gelaten of eisers echtgenote ten tijde van de terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag niet/minder heeft gewerkt vanwege de stress over die terugvorderingen. Eiser vraagt namelijk schadevergoeding vanaf de inkomensachteruitgang door arbeidsongeschiktheid vanaf 2019. Deze arbeidsongeschiktheid doet zich geruime tijd nadat de terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag plaatsvonden (juli 2009 tot en met oktober 2013) voor, waardoor het causaal verband tussen de stress van de terugvorderingen en de arbeidsongeschiktheid en inkomensachteruitgang minder aannemelijk is. In het behandelplan van de GGZ van 2020 en de WIA-rapportage van 2021 is, zo de rechtbank begrijpt, op grond van de anamnese, als stresserende factor de toeslagenaffaire genoemd, maar daarnaast speelden ook andere stressoren, waaronder zeer belastende ervaringen uit haar jeugd en latere negatieve gebeurtenissen. De invloed daarvan op de uitval van eisers echtgenote in 2019 is niet volledig in beeld.
Op grond van de aanwezige stukken is niet duidelijk geworden of er een causaal verband bestaat tussen de belastende terugvorderingen in de periode van juli 2009 tot en met oktober 2013 en de ontstane arbeidsongeschiktheid en inkomensachteruitgang van eiser en zijn echtgenote. Dit betekent dat ook niet kan worden toegekomen aan de vaststelling van een proportionele aansprakelijkheid, zoals door eiser verzocht.
7.8.
De rechtbank ziet niet in dat eiser in een situatie van bewijsnood is komen te verkeren. Eiser is zowel in de bezwaarfase als in beroep in de gelegenheid geweest om (de gevraagde) stukken te overleggen, waarna mogelijk door de CWS een deskundige had kunnen worden ingeschakeld of eiser zelf een deskundige had kunnen inschakelen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om zelf een deskundige te benoemen, zoals door eiser verzocht.
7.9.
Omdat het vereiste causale verband ontbreekt, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de berekende schade in de door eiser overgelegde rapporten van Laumen Expertise BV van 12 november 2024.
De rechtbank ziet daarom geen aanleiding een kostenvergoeding voor het laten opmaken van deze rapporten uit te spreken.
Vermogensschade door aanwenden erfenissen
8. Eiser heeft verzocht om een schadevergoeding voor het moeten aanwenden van twee erfenissen van in totaal ruim € 12.000,- voor het aanpakken van zijn schuldenproblematiek. Eiser stelt dat hij, als hij geen slachtoffer was geworden van de toeslagenaffaire, geen schulden had opgebouwd en er ook geen schuldsaneringstraject zou zijn toegepast. De erfenissen had hij in dat geval vrij kunnen besteden.
8.1.
De rechtbank is met Dienst Toeslagen van oordeel dat het feit dat beide erfenissen zijn aangewend om bestaande schulden af te lossen, niet heeft geleid tot vermogensschade. Immers, in vermogensrechtelijke zin is de ouder als gevolg van het aanwenden van de erfenissen niet verarmd. Weliswaar is een positief vermogensbestanddeel van de ouder (bestaande uit liquide middelen ontvangen vanwege beide erfenissen) verdwenen, maar daar staat tegenover dat een negatief vermogensbestanddeel in verband met schulden aan derden ook is verdwenen doordat die schulden zijn afbetaald. In vermogensrechtelijke zin is de betaling van een schuld dan ook neutraal, zodat geen sprake is van schade.
8.2.
Overigens acht de rechtbank niet aannemelijk dat eiser de ontvangen erfenissen vrij had kunnen besteden als hij geen slachtoffer van de toeslagaffaire was geworden. Daartoe wijst de rechtbank op het feit dat in de periode april 2013 tot en met maart 2016 schuldsanering is toegepast. Omdat eiser aanspraak kreeg op de erfenissen ten tijde van de schuldsaneringsregeling, had eiser al om die reden niet de mogelijkheid om vrij te beschikken over die erfenissen, mede gelet op de hoogte van de schulden. Naast de schulden die verband hielden met de kinderopvangtoeslag (in totaal € 31.522,- waarvan een bedrag van € 10.354,- door middel van verrekeningen was voldaan) had eiser ook andere hoge schulden bij diverse schuldeisers (onder meer betreffende de inkomstenbelasting). De rechtbank wijst in dit verband op de slot-uitdelingslijst van de schuldsanering, waarin wordt gesproken over een totale schuld van € 477.088,11.
Ook zonder de schulden die verband houden met de problemen rondom de toeslagenproblematiek, zou eiser zijn erfenissen hebben moeten aanwenden om de bestaande schulden af te lossen.
Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat de vele andere schulden zijn ontstaan door de problemen rondom de kinderopvangtoeslag. De enkele – niet nader onderbouwde – stelling dat hij door de problemen rondom de kinderopvangtoeslag zijn boekhouder niet langer kon betalen, waardoor hij te laat was met de belastingaangifte, wat vervolgens heeft geleid tot forse (belasting)schulden, is daartoe onvoldoende.
Vermogensschade door gedwongen verkoop woning en huur
9. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser tijdens de schuldsaneringsperiode zijn woning onder de marktwaarde heeft moeten verkopen, maar dat hij daardoor geen directe vermogensschade heeft geleden. De restschuld van de hypothecaire lening is namelijk gesaneerd in de schuldsanering die op 31 maart 2016 met een schone lei is beëindigd.
9.1.
Ter zitting heeft eisers gemachtigde toegelicht dat de schade is gelegen in de gemiste waardestijging vanaf de datum van de verkoop. Als hij zijn woning niet in 2014 had hoeven verkopen, was de woning in 2024 aanzienlijk in waarde gestegen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser een waarderapport van Huispedia ingebracht, waaruit blijkt dat de geschatte verkoopprijs van eisers voormalige woning op 8 juli 2024 € 509.000,- is. Verder stelt eiser dat hij als gevolg van de gedwongen verhuizing hoge huurkosten heeft gehad.
Schadepost gemiste waardestijging woning
9.2.
De rechtbank stelt voorop dat in het ten tijde van het bestreden besluit toepasselijke Schadekader CWS 2024 is opgenomen dat schadevergoeding mogelijk is vanwege een gemiste waardestijging van een woning door een gedwongen verkoop die (mede) het gevolg was van de problemen met de kinderopvangtoeslag.
9.3.
Ter zitting heeft Dienst Toeslagen toegelicht dat primair het standpunt wordt ingenomen dat geen sprake is van schade. Subsidiair stelt de gemachtigde van Dienst Toeslagen dat er geen causaal verband bestaat tussen de verkoop van de woning en de problemen rondom de kinderopvangtoeslag.
9.4.
De rechtbank is van oordeel dat, voor zover eiser schade heeft geleden door de misgelopen waardestijging van de woning, deze schade terecht niet vergoed wordt, omdat geen sprake is van een causaal verband tussen de problemen rondom de kinderopvangtoeslag en de gedwongen verkoop van de woning. In de periode april 2013 tot en met maart 2016 is schuldsanering toegepast, vanwege de vele hoge schulden die eiser op dat moment had. In deze periode is de woning verkocht (mei 2014). Naast de schulden die verband hielden met de kinderopvangtoeslag (in totaal € 31.522,- waarvan een bedrag van € 10.354,- door middel van verrekeningen was voldaan) had eiser ook andere hoge schulden. De rechtbank wijst in dit verband op de slot-uitdelingslijst van de schuldsanering, waarin wordt gesproken over een totale schuld van € 477.088,11. Ook zonder de schulden die verband houden met de problemen rondom de toeslagenproblematiek, zou eiser zijn woning hebben moeten verkopen om de bestaande schulden af te lossen/te kunnen saneren.
Schadepost huur vervangende woning
9.5.
Ten aanzien van de huurkosten voor de vervangende woning als gevolg van de gedwongen verhuizing na verkoop van de woning verwijst de rechtbank naar wat hiervoor is overwogen ten aanzien van de gemiste waardestijging van de woning. Omdat causaal verband tussen de problemen omtrent de kinderopvangtoeslag en de gedwongen verkoop van de woning ontbreekt, ontbreekt ook causaal verband tussen die problemen en de daarop volgende verhuizing en de gemaakte huurkosten.
Immateriële schade
10. Volgens eiser doet de toegekende immateriële schadevergoeding geen recht aan de situatie waarin hij en zijn gezin zijn komen te verkeren. Zij zijn langdurig aan stress blootgesteld en arbeidsongeschikt geraakt.
10.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser in het kader van de integrale beoordeling € 12.000,- aan immateriële schadevergoeding heeft ontvangen. Ter zitting is gemeld dat in de beslissing op het bezwaar van 15 oktober 2025 tegen de integrale beoordeling dit bedrag is verhoogd naar € 16.500,-. In het kader van de huidige procedure heeft de CWS op 9 december 2021 geadviseerd eiser € 25.000,- aanvullende immateriële schadevergoeding toe te kennen. In de bezwaarfase heeft de CWS de immateriële schade in een nader advies van 26 juli 2023 begroot op € 20.800,-. Dienst Toeslagen heeft in het bestreden besluit echter vastgehouden aan het voor eiser hogere bedrag aan immateriële schadevergoeding van € 25.000,-.
10.2.
Dienst Toeslagen heeft aan het toekennen van de immateriële schadevergoeding ten grondslag gelegd dat aannemelijk is dat eiser en zijn gezin over de toeslagjaren 2007, 2009 en 2010 stress en verdriet hebben ervaren. Ook het feit dat sprake is geweest van een dwangverrekening is meegewogen. Het is aannemelijk dat de kinderen van eiser juist tijdens hun jeugd een gespannen gezinssituatie hebben ondervonden. Daarbij is in aanmerking genomen dat dit vooral is veroorzaakt door de slechte financiële situatie van eiser en zijn echtgenote.
10.3.
De rechtbank ziet niet in dat de immateriële schadevergoeding tot een te laag bedrag zou zijn vastgesteld, mede in aanmerking genomen wat hiervoor is overwogen over het causale verband tussen de problematiek omtrent de kinderopvangtoeslag en de (financiële) situatie waarin eiser en zijn gezin verkeerden. Aanknopingspunten om tot een hogere schadevergoeding te concluderen, ontbreken.
Overschrijding redelijke termijn
11. Eiser heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure.
11.1
De redelijke termijn is voor een procedure in twee instanties in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
11.2.
Het bezwaarschrift van eiser is door Dienst Toeslagen ontvangen op 8 februari 2022. Vanaf de datum van de ontvangst van het bezwaarschrift door Dienst Toeslagen tot de datum van deze uitspraak is, afgerond naar hele maanden, 46 maanden verstreken. De redelijke termijn is dus, afgerond, met 22 maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 2.000,-. Omdat de gehele overschrijding binnen de bezwaarfase is gelegen, komt deze schadevergoeding voor rekening van Dienst Toeslagen.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Dienst Toeslagen zal worden veroordeeld tot betaling van immateriële schadevergoeding voor een bedrag van € 2.000,- vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
12.1.
Dienst Toeslagen zal worden veroordeeld in eisers proceskosten voor verleende rechtsbijstand in verband met het verzoek om schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Die kosten worden begroot op een bedrag van € 453,50 (1 punt voor het indienen van het schadeverzoek, met een waarde van € 907,- per punt en een wegingsfactor van 0,5 [8] ).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt Dienst Toeslagen tot betaling aan eiser van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 2.000,-;
- veroordeelt Dienst Toeslagen tot betaling aan eiser van een bedrag van € 453,50 aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, voorzitter, en mr. R.P. Broeders en mr. J. van Alphen, leden, in aanwezigheid van mr. E.A. Vermunt, griffier, op 9 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: relevante wet- en regelgeving
Artikel 2.1 eerste en derde lid
1. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem:
a. voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen; of
b. de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.
3. Aan een aanvrager van compensatie die aannemelijk maakt dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan een bedrag als bedoeld in artikel 2.3, eerste tot en met zevende lid, wordt door de Dienst Toeslagen op aanvraag aanvullende compensatie voor de werkelijke schade toegekend.
Artikel 2.2
De compensatie bestaat uit:
a. een bedrag vanwege een beschikking tot het verminderen of niet toekennen van een kinderopvangtoeslag of het beëindigen van voorschotverlening voor een kinderopvangtoeslag die een direct gevolg is van institutionele vooringenomenheid als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, of de hardheid, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b, vermeerderd met een bedrag voor de rente die is begrepen in een beschikking tot terugvordering;
b. een bedrag voor een bestuurlijke boete die is opgelegd op grond van artikel 40 of 41 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen voor een verzuim of vergrijp betreffende de kinderopvangtoeslag;
c. een bedrag voor materiële schade;
d. een bedrag voor immateriële schade;
e. een bedrag voor invorderingskosten;
f. een bedrag voor proceskosten;
g. een rentevergoeding voor het niet uitgekeerde bedrag vanwege het verminderen of niet toekennen van de kinderopvangtoeslag of het beëindigen van de voorschotverlening kinderopvangtoeslag.
Artikel 2.3
1. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, is gelijk aan het bedrag dat als gevolg van de beschikking niet is toegekend of is teruggevorderd, vermeerderd met het bedrag van de rente die is begrepen in een beschikking tot terugvordering en verminderd, maar niet verder dan tot nihil, met:
a. een nog niet betaald bedrag van de terugvordering en van de rente; of
b. een alsnog toegekende kinderopvangtoeslag of een verhoging daarvan met betrekking tot het berekeningsjaar waarop de compensatie betrekking heeft.
2. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel b, is gelijk aan het bedrag van de bestuurlijke boete dat is betaald.
3. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel c, is gelijk aan de som van 25% van het bedrag, bedoeld in het eerste lid, zonder de verminderingen, en 25% van het bedrag van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel b.
4. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel d, is ongeacht het aantal berekeningsjaren waarop de compensatie betrekking heeft, gelijk aan € 500 voor ieder half jaar dat is verstreken tussen de dagtekening van een eerste beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, en de dagtekening van de eerste beschikking tot toekenning van compensatie, waarbij een deel van een half jaar naar boven wordt afgerond op een half jaar, met dien verstande dat het bedrag niet hoger is dan de som van de bedragen die overeenkomstig het eerste lid voor de berekeningsjaren zijn vastgesteld, zonder de verminderingen.
5. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel e, is gelijk aan de kosten die door de Dienst Toeslagen in rekening zijn gebracht en zijn betaald voor invorderingshandelingen in verband met de beschikking, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, met inbegrip van betaalde invorderingsrente.
6. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel f, is een forfaitair bedrag voor de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende en aan de belanghebbende in rekening gebrachte rechtsbijstand met betrekking tot een beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, dat is vastgesteld overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht, met wegingsfactor 2, waarbij wordt aangenomen dat er geen sprake is van samenhangende zaken, verminderd met een reeds toegekende of nog te toe te kennen proceskostenvergoeding.
7. Het bedrag, bedoeld in artikel 2.2, onderdeel g, wordt berekend over het bedrag, bedoeld in het eerste lid, zonder de verminderingen, met overeenkomstige toepassing van artikel 27 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en verminderd met rente die is vergoed op grond van een alsnog toegekende kinderopvangtoeslag of een verhoging daarvan.
8. De bedragen, bedoeld in het eerste tot en met zevende lid, worden vermeerderd met 1%.
9. Het bedrag van de aanvullende compensatie voor de werkelijke schade is de aanvullende werkelijke schade, bedoeld in artikel 2.1, derde lid, vermeerderd met 1%.
Artikel 5.2, eerste lid
1. Bij ministeriële regeling stelt Onze Minister commissies in met het oog op de uitvoering van de artikelen 2.1 tot en met 2.6 (…).
Deze ministeriële regeling is de Instellingsregeling Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade (Instellingsregeling)
Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Instellingsregeling
2. De commissie is een adviseur als bedoeld in artikel 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht en heeft tot taak:
e. het opstellen en aanpassen van een schadebeoordelingskader ten behoeve van de
uitoefening van de adviestaak van de commissie.

Voetnoten

1.Zie ECLI:NL:RVS:2023:3620, overweging 15.3.
2.Te raadplegen via www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties
3.(Gelijk)waardig Herstel Herstelmodel, Validatie, Aanpak en Schadeposten.
4.Artikel 5.2 van de Wht en de Instellingsregeling Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade Instellingsregeling.
5.Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Instellingsregeling.
6.Zie het rapport van [persoon 5] van 12 december 2024 en de brief van de staatssecretaris van Financiën aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 20 december 2024 (2024-0000585337).