ECLI:NL:RBZWB:2025:8836

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
AWB 24_6753
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • T. Peters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbAfdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State jurisprudentieCrisis- en herstelwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke uitspraak over omgevingsvergunning voor woningbouw en bedrijfsvoering

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het beroep van eiseres tegen een omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen had verleend voor de bouw van 29 woningen. In een eerdere tussenuitspraak was vastgesteld dat het oorspronkelijke besluit onvoldoende was gemotiveerd, met name ten aanzien van de mogelijke beperking van de bedrijfsvoering van eiseres.

Het college heeft vervolgens een nieuw besluit genomen waarin het eerdere besluit werd ingetrokken en de vergunning opnieuw werd verleend met een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad. De rechtbank oordeelde dat hiermee de gebreken waren hersteld en dat eiseres niet in haar bedrijfsvoering wordt beperkt.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond. Omdat het beroep voortvloeide uit een tussenuitspraak, werd het college opgedragen het betaalde griffierecht aan eiseres te vergoeden en tevens een proceskostenvergoeding toegekend conform het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De uitspraak is gedaan door rechter T. Peters en griffier T.A.A. van Hooijdonk op 12 december 2025 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/6753

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] V.O.F., uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen, het college
(gemachtigde: mr. C.J. IJdema).
Als derde-partij neemt aan het geding deel
woongoed Zeeuws-Vlaanderente Terneuzen.

Procesverloop

1. In het besluit van 13 augustus 2024 (bestreden besluit 1) heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van 29 woningen.
1.1.
Eiseres heeft tegen bestreden besluit 1 beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2025 op zitting behandeld. Namens eiseres is [naam 1] en [naam 2] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [vertegenwoordiger college] . Namens de derde partij is [naam 3] verschenen.
1.3.
In de tussenuitspraak van 21 april 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen tien weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, een geconstateerd gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
1.4.
Met de hersteluitspraak van 13 juni 2025 heeft de rechtbank een aantal gebreken in de tussenuitspraak hersteld en toegevoegd dat het nieuw te nemen besluit niet hoeft te worden voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
1.5.
Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak een nieuw besluit genomen van 26 juni 2025 (bestreden besluit 2). Met het besluit heeft het college het bestreden besluit 1 ingetrokken en een nieuwe omgevingsvergunning verleend met inachtneming van de tussenuitspraak.
1.6.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

2. Voor de weergave van de feiten, de beroepsgronden en het wettelijk kader verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.
2.1.
Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).
2.2.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het bestreden besluit 1 onvoldoende is gemotiveerd, aangezien in de ruimtelijke onderbouwing die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit niet is beoordeeld of de bedrijfsvoering van eiseres wordt beperkt door de nieuw te realiseren woningen. Het college heeft met het verweerschrift echter voldoende gemotiveerd dat eiseres niet wordt beperkt in haar bedrijfsvoering door de verleende omgevingsvergunning. De rechtbank zag daarom geen reden om het bestreden besluit op dit punt te vernietigen.
De rechtbank heeft daarnaast overwogen dat het college ten onrechte geen verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad heeft overgelegd en heeft daarom aanleiding gezien om het college in de gelegenheid te stellen dit gebrek te herstellen. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld om binnen tien weken na verzending van de tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de tussenuitspraak.
2.3.
Het beroep heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege mede betrekking op bestreden besluit 2, nu partijen daarbij voldoende belang hebben.
2.4.
De rechtbank is van oordeel dat het college de geconstateerde gebreken in het ingetrokken bestreden besluit 1 met het bestreden besluit 2 zijn hersteld. In het bestreden besluit heeft het college voldoende gemotiveerd dat eiseres niet wordt beperkt in haar bedrijfsvoering door de verleende omgevingsvergunning. Daarnaast heeft het college een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit 2.

Conclusie en gevolgen

3. Nu bestreden besluit 1 is ingetrokken en aan bestreden besluit 2 geen gebreken kleven, is het beroep ongegrond.
3.1.
Omdat het ongegrond beroep een gevolg is van een door de rechtbank gedane tussenuitspraak, ziet de rechtbank aanleiding om het college op te dragen om aan eiseres het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.
3.2.
Daarnaast dient het college een vergoeding voor de proceskosten die eiseres heeft gemaakt te betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 907,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.814,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 371,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A.A. van Hooijdonk, griffier, op 12 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het hogerberoepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Na de genoemde termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Indien binnen de beroepstermijn geen gronden zijn ingediend, wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.