In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 15 december 2025, wordt het beroep van eiser beoordeeld, die stelt dat de Dienst Toeslagen niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag van 10 januari 2024 voor aanvullende compensatie op basis van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is, omdat de beslistermijn van zes maanden na ontvangst van de aanvraag op 12 januari 2024 is verstreken. Eiser heeft de Dienst Toeslagen op 23 juni 2025 in gebreke gesteld, maar er is nog steeds geen besluit genomen. De rechtbank bepaalt dat de Dienst Toeslagen binnen twee weken na deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Tevens wordt er een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Eiser krijgt ook een vergoeding voor het griffierecht en proceskosten, die in totaal € 453,50 bedragen. De rechtbank benadrukt dat de wettelijke beslistermijn op 13 januari 2025 is verstreken, en dat verweerder uiterlijk op 9 maart 2026 een besluit moet nemen.