Op 15 december 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in de zaak tussen eiser, vertegenwoordigd door mr. I.M. van den Heuvel, en de Dienst Toeslagen. Eiser had beroep ingesteld omdat verweerder niet tijdig had beslist op zijn aanvraag van 10 juni 2024 voor aanvullende compensatie op basis van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De rechtbank oordeelde dat het beroep kennelijk gegrond was, aangezien de beslistermijn van zes maanden was overschreden. Eiser had verweerder op 4 augustus 2025 in gebreke gesteld, maar er was nog steeds geen besluit genomen. De rechtbank bepaalde dat verweerder alsnog binnen twee weken na de uitspraak een besluit moest nemen en legde een dwangsom op van € 100,- per dag voor elke dag dat de beslistermijn werd overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Daarnaast moest verweerder het griffierecht van € 53,- en proceskosten van € 453,50 aan eiser vergoeden. De uitspraak werd openbaar gemaakt op 15 december 2025.