Eiser diende op 19 juni 2024 een aanvraag in bij de Dienst Toeslagen voor aanvullende compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Verweerder ontving deze aanvraag op 20 juni 2024 en moest binnen zes maanden beslissen. Hoewel verweerder de beslistermijn met zes maanden verlengde, is niet gebleken dat deze verlenging rechtsgeldig is opgeschort. Hierdoor was verweerder uiterlijk op 20 juni 2025 verplicht te besluiten.
Eiser stelde verweerder op 4 juli 2025 in gebreke, waarna twee weken verstreken zonder besluit. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en dat verweerder alsnog binnen een nader te bepalen termijn moet beslissen. De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak waarin een lijn is uitgezet dat in soortgelijke zaken een beslistermijn van 60 weken na het verstrijken van de wettelijke termijn geldt.
Verweerder verzocht om een langere beslistermijn vanwege alternatieve trajecten voor ouders, maar de rechtbank ziet hiervoor geen aanleiding. De rechtbank legt een beslistermijn op tot uiterlijk 14 augustus 2026 en stelt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000,- vast voor overschrijding.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 15 december 2025.