In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 15 december 2025, wordt het beroep van eiser beoordeeld, die stelt dat de Dienst Toeslagen niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag van 19 juni 2024 voor aanvullende compensatie op basis van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is, omdat de beslistermijn van zes maanden na ontvangst van de aanvraag op 20 juni 2024 is verstreken. Eiser heeft de Dienst Toeslagen op 4 juli 2025 in gebreke gesteld, maar er is nog steeds geen besluit genomen. De rechtbank bepaalt dat de Dienst Toeslagen binnen twee weken na deze uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Tevens wordt er een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Eiser krijgt ook een vergoeding van € 453,50 voor proceskosten en het griffierecht van € 53,- moet door de Dienst Toeslagen aan eiser worden vergoed. De rechtbank benadrukt dat de wettelijke beslistermijn op 20 juni 2025 is verstreken en dat er geen aanleiding is om een andere beslistermijn te bepalen.