ECLI:NL:RBZWB:2025:9086

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
24/6899
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-ontvankelijk verklaring bezwaar en afwijzing verzoek om ambtshalve vermindering inkomstenbelasting

Op 19 december 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in de zaak tussen een belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst. Het beroep van de belanghebbende is ongegrond verklaard. De inspecteur had het bezwaar van de belanghebbende tegen een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur dit terecht heeft gedaan, omdat de belanghebbende zijn nieuwe adres niet tijdig had doorgegeven. De rechtbank heeft vastgesteld dat de belanghebbende op 15 februari 2023 aangifte heeft gedaan, maar dat hij niet binnen de gestelde termijn van de aanmaning had gereageerd. De rechtbank heeft ook de verzuimboete van € 385 passend en geboden geacht. De rechtbank concludeert dat de belanghebbende niet kan worden vrijgesteld van de boete, omdat hij niet tijdig zijn adreswijziging heeft doorgegeven. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor een proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet vergoed. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn op de hoogte gesteld van de beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/6899

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar en beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering van de inspecteur van 6 september 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een verlies uit werk en woning van € 783 (de aanslag). Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur een verzuimboete opgelegd (de boetebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Daarbij heeft de inspecteur het bezwaar in behandeling genomen als een verzoek om ambtshalve vermindering en dat verzoek afgewezen.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens de inspecteur deelgenomen: [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen.
1.4.
Belanghebbende is via het systeem Mijn Rechtspraak op 29 augustus 2025,
10:41 uur, onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd de zitting bij te wonen. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan belanghebbende verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven
e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat belanghebbende dit bericht op
29 augustus 2025 heeft ontvangen. [1] De rechtbank stelt daarmee vast dat belanghebbende correct en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt eerst of het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Indien het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard, dan beoordeelt de rechtbank of de inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering terecht heeft afgewezen. Meer specifiek beoordeelt de rechtbank in dat geval of de verzuimboete terecht en niet naar een te hoog bedrag aan belanghebbende is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur het bezwaar terecht
niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om ambtshalve vermindering terecht afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende stond volgens de basisregistratie personen (BRP) van
18 augustus 2020 tot 20 oktober 2022 ingeschreven op een Nederlands adres,
[adres 1] . Vanaf 20 oktober 2022 stond belanghebbende ingeschreven aan [adres 2] .
3.1.
Belanghebbende is op 28 februari 2022 uitgenodigd en op 7 juni 2022 herinnerd tot het doen van aangifte IB/PVV voor het belastingjaar 2021 (de aangifte). De brieven zijn verzonden naar [adres 1] .
3.2.
Op 30 mei 2022 heeft de gemeente ’s-Hertogenbosch belanghebbende een
e-mailbericht gestuurd. In dat e-mailbericht staat – voor zover relevant – het volgende:
“Kort geleden vroegen wij u per mail om uw verhuizing/emigratie aan ons door te geven. U woont namelijk niet op het adres waarop u staat ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP). U hebt nog niet gereageerd op ons verzoek. U krijgt tot28 juni 2022de mogelijkheid om dat alsnog te doen.”
3.3.
Belanghebbende heeft op 21 juni 2022 contact opgenomen met de BelastingTelefoon. Tijdens dat gesprek heeft belanghebbende aangegeven dat er namens hem in april 2022 uitstel is gevraagd tot het doen van aangifte. De inspecteur heeft vervolgens bij brief van 21 juli 2022 uitstel verleend tot 1 september 2022.
3.4.
Op 24 juni 2022 heeft belanghebbende per e-mailbericht een adreswijziging doorgegeven bij de gemeente ’s-Hertogenbosch . In het bij het e-mailbericht gevoegde document ‘Aangifte van verhuizing/vestiging’ heeft belanghebbende aangegeven dat hij per
1 juli 2022 is verhuisd naar [adres 2] . In het document ‘Aangifte gemeentelijk briefadres’ heeft hij aangegeven dat zijn briefadres per 11 juli 2022 [adres 3]
betreft.
3.5.
Bij brief van 23 september 2022 is belanghebbende aangemaand tot het doen van aangifte en daarin staat vermeld dat de aangifte vóór 7 oktober 2022 moet zijn ontvangen door de inspecteur. De aanmaning is verzonden naar [adres 1]
.
3.6.
Op 1 oktober 2022 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen het voornemen van de gemeente ’s-Hertogenbosch van 5 september 2022 om het door belanghebbende aangegeven briefadres ( [adres 3] ) niet toe te wijzen.
3.7.
Belanghebbende heeft de aangifte op 15 februari 2023 ingediend en heeft daarbij een verlies uit werk en woning aangegeven van € 783.
3.8.
De inspecteur heeft met dagtekening 8 augustus 2023 de aanslag conform de aangifte opgelegd. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur een verzuimboete van € 385 opgelegd.
3.9.
De inspecteur heeft op 20 november 2023 het bezwaar van belanghebbende ontvangen. De inspecteur heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, vanwege overschrijding van de bezwaartermijn. Daarbij heeft hij het bezwaar in behandeling genomen als verzoek om ambtshalve vermindering en dat verzoek afgewezen.
3.10.
De inspecteur heeft met betrekking tot de verzending van de aanmaning van
23 september 2022 een rapport overgelegd. Daarin staat – voor zover relevant – het volgende vermeld:
“Ik heb in DAS ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aanmaning aangifte IB 2021 het volgende waargenomen:
Dat op 16-09-2022, onder [zoeksleutel] en berichtsjabloon FAA11, een
Aanmaning aangifte 2021 met dagtekening 23 september 2022 en [kenmerk] , t.n.v. [belanghebbende] , is gearchiveerd en deze is verzonden aan het [adres 1] .
Ik heb in ZP05 ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aanmaning aangifte IB 2021
geconstateerd:
Dat dit document is opgenomen in een samengestelde partij documenten, genaamd FAAB01
Med./Afw Uitstel – Herin., met het [RUNID] en [eindproductnummer] , in een aantal van 98.922 stuks.
Ik heb in ZP05 waargenomen dat de partij documenten met het [RUNID] en [eindproductnummer] op 19-09-2022, is aangeboden aan PostNL (48 uurs), ter verzending.
Ik heb in VA03 ten aanzien van betrokkene, inzake het document Aanmaning aangifte IB 2021 het volgende waargenomen:
Dat de partij documenten (FAAB01 Med./Afw Uitstel – Herin./aanm.) met het [RUNID] en [eindproductnummer] , onder het [verkoopordernummer] , in een aantal van 98.922 stuks, tijdig en zonder problemen is aangeboden ter verzending.”

Overwegingen

Is het bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard?
4. Als eerste zal de rechtbank ingaan op de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar door de inspecteur. Belanghebbende komt weliswaar hiertegen in beroep maar draagt geen argumenten aan waarom het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank is ook niet gebleken dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Het beroep van belanghebbende is dus in zoverre ongegrond.
Prorogatie
4.1.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende opgevat als een verzoek om ambtshalve vermindering en het verzoek afgewezen. Een dergelijke afwijzing van een verzoek om ambtshalve vermindering is een voor bezwaar vatbare beschikking. Tegen deze beslissing van de inspecteur had belanghebbende bezwaar moeten maken. Naar de rechtbank begrijpt heeft belanghebbende direct beroep in willen stellen tegen de afwijzing van zijn verzoek om ambtshalve vermindering. Daarom heeft de inspecteur voorgesteld over te gaan tot het overslaan van de bezwaarfase (prorogatie). Prorogatie is mogelijk als beide partijen hiermee instemmen. De inspecteur heeft zijn toestemming voor prorogatie expliciet gegeven in zijn verweerschrift. Belanghebbende is dus door middel van het verweerschrift op de hoogte gesteld van de mogelijkheid tot prorogatie en heeft geen aanleiding gezien om te reageren op schrift dan wel door op zitting te verschijnen. De rechtbank maakt hieruit op dat belanghebbende instemt met het overslaan van de bezwaarfase. Dit betekent dat de rechtbank de zaak inhoudelijk zal behandelen. [2]
Ambtshalve vermindering
4.2.
De regeling van artikel 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) biedt een extra mogelijkheid om een onjuiste belastingaanslag of beschikking die afzonderlijk op het aanslagbiljet is vermeld te verminderen. De gevallen waarin een inspecteur een belastingaanslag of bijbehorende beschikking ambtshalve kan verminderen zijn aangewezen in artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling van de Wet IB 2001 (URIB 2001). De inspecteur vermindert alleen een belastingaanslag of bijbehorende beschikking ambtshalve zodra hem is gebleken dat deze tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Op belanghebbende rust dus de last om de feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken waaruit volgt dat de aanslag IB/PVV 2021 en de bijbehorende boetebeschikking te hoog zijn. De rechtbank begrijpt de gronden van belanghebbende zo dat hij wenst op te komen tegen de aan hem opgelegde verzuimboete. Hij voert daartoe aan dat hij ten tijde van het verzenden van de aanmaning niet meer woonde op het adres zoals was opgenomen in het BRP omdat de gemeente ‘s-Hertogenbosch pas maanden later instemde met de inschrijving op het adres waar belanghebbende daadwerkelijk verbleef.
4.3.
Aan de belastingplichtige, die is uitgenodigd tot het doen van aangifte en die de aangifte niet, dan wel niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn heeft gedaan, kan een verzuimboete worden opgelegd van € 5.514. [3] Ter zake van een aangifteverzuim legt de inspecteur een verzuimboete op van zeven procent van het wettelijk maximum van € 5.514, ofwel € 385. [4] Vast staat dat de aangifte op 15 februari 2023 is ingediend. Dit betekent dat belanghebbende niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn (1 september 2022) aangifte heeft gedaan.
4.4.
De rechtbank begrijpt de stelling van belanghebbende zo dat hij de aanmaningsbrief niet heeft ontvangen omdat die brief naar een onjuist adres is gestuurd. Hiermee stelt belanghebbende dus dat de betreffende aanmaning niet is verzonden. Als de aanmaning niet is verzonden, dan wordt niet voldaan aan de voorwaarden en zou de boete ten onrechte zijn opgelegd.
4.5.
De inspecteur heeft ter zake van de verzending van de aanmaningsbrief een verzendrapportage overgelegd (zie 3.10). Uit deze rapportages blijkt dat de aanmaningsbrief op 19 september 2022 is aangeboden aan PostNL en zijn verzonden aan het adres
[adres 1] . Naar het oordeel van de rechtbank is op grond hiervan de verzending aannemelijk.
4.6.
Belanghebbende stelt dat de inspecteur is uitgegaan van een onjuist adres en daardoor heeft de aanmaning hem niet bereikt. De rechtbank stelt voorop dat een onjuiste adressering in beginsel voor rekening van belanghebbende komt, tenzij de onjuiste adressering niet aan hem te wijten is. [5] Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de aanmaningsbrief terecht verzonden naar het adres waarop belanghebbende vanaf 18 augustus 2020 was geregistreerd in de BRP: [adres 1] . De inspecteur had immers geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van deze gegevens. Uit de stukken blijkt dat belanghebbende pas op 24 juni 2022 – naar aanleiding van een herinnering daartoe van de gemeente ’s-Hertogenbosch van 30 mei 2022 – zijn verhuizing en een briefadres heeft doorgegeven (zie 3.2 en 3.4). Op 1 oktober 2022 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen het voornemen van de gemeente van 5 september 2022 om zijn briefadres niet te wijzigen (zie 3.6). De rechtbank leidt hieruit af dat belanghebbende er in de periode waarin hij aangifte moest doen, mee bekend was – of dat behoorde te zijn – dat zijn adresgegevens in de BRP niet juist waren. Ook was belanghebbende ervan op de hoogte – of behoorde dat te zijn – dat de door hem doorgegeven wijzigingen op 5 september 2022 nog niet door de gemeente waren verwerkt. Dat belanghebbende niet of niet tijdig heeft doorgegeven dat de toezending van de poststukken naar een ander adres had gemoeten of anderszins ervoor heeft gezorgd dat hij de post gestuurd naar het BRP adres toch ontving, is naar het oordeel van de rechtbank een omstandigheid die de inspecteur niet kan worden tegengeworpen.
Is sprake van afwezigheid van alle schuld?
4.7.
Voor zover belanghebbende heeft bedoeld om een beroep te doen op afwezigheid van alle schuld (avas), overweegt de rechtbank als volgt. De mate van verwijtbaarheid speelt bij het opleggen van een verzuimboete geen rol, tenzij sprake is van avas. In dat geval dient het opleggen van een verzuimboete achterwege te blijven. Van avas is sprake als belanghebbende alle in de gegeven omstandigheden van haar in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om het verweten feit te voorkomen. [6] In dit geval kan niet worden gezegd dat belanghebbende geen enkel verwijt treft dat de aangifte niet tijdig is ingediend (zie 4.6). Dit betekent dat de verzuimboete terecht is opgelegd.
Is de boete passend en geboden?
4.8.
De rechtbank begrijpt dat belanghebbende verzoekt om matiging van de verzuimboete in verband met zijn financiële omstandigheden maar heeft dit in zijn stukken niet nader toegelicht. De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat belanghebbende over voldoende liquide middelen beschikt om de verzuimboete te voldoen. De rechtbank ziet geen aanleiding tot matiging van de boete. De rechtbank acht de boete van € 385 dan ook passend en geboden.
Undue delay
4.9.
De rechtbank constateert dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in eerste feitelijke instantie met (afgerond) vijf maanden. Daarbij neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat 8 augustus 2023 geldt als aanvangsmoment van de redelijke termijn, omdat de boete op dat moment is opgelegd, en zij uitspraak doet op 19 december 2025. Omdat de boete minder dan € 1.000 bedraagt is met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6 EVRM, de verdragsschending voldoende gecompenseerd. [7]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. De inspecteur heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om ambtshalve vermindering terecht afgewezen. Dat betekent dat de opgelegde aanslag en de verzuimboete in stand blijven.
5.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Ook krijgt belanghebbende het griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Damen, griffier, op 19 december 2025. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De rechter is niet in staat de uitspraak mede te ondertekenen.
griffier
rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch .

Voetnoten

1.Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 9.6, derde lid, van de Wet IB 2001.
3.Artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in samenhang met artikel 9, derde lid, AWR.
4.Paragraaf 21, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB).
5.Hoge Raad 3 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1935 en Hoge Raad 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1885.
6.Hoge Raad 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:844.
7.Hoge Raad 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:175.