ECLI:NL:RBZWB:2025:9183

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
25/6345
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing van een woningsluiting op grond van artikel 13b Opiumwet vanwege tijdsverloop en twijfel aan noodzaak

Op 18 december 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een zaak over een verzoek om voorlopige voorziening. Verzoekster, als bewindvoerder van betrokkene, had bezwaar gemaakt tegen het besluit van de burgemeester van de gemeente Tholen om de woning van betrokkene te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De sluiting was bedoeld voor vier maanden, ingaande op 8 december 2025, na de vondst van harddrugs in de woning op 31 juli 2025. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om schorsing van het sluitingsbesluit toegewezen, met de overweging dat het tijdsverloop van meer dan vier maanden tussen de vondst van de drugs en de sluiting een belangrijke rol speelde. De voorzieningenrechter betwijfelde de geschiktheid en noodzaak van de sluiting, aangezien er onvoldoende bewijs was voor daadwerkelijke handel vanuit de woning en de burgemeester niet had aangetoond dat sluiting noodzakelijk was. De voorzieningenrechter oordeelde dat de belangen van betrokkene, die een kwetsbare vrouw is, zwaarder wogen dan de belangen van de gemeente. De burgemeester werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan verzoekster. De uitspraak is openbaar gedaan en er staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/6345
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 december 2025 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] (verzoekster), als bewindvoerder van

[betrokkene], uit [plaats] , (betrokkene)
(gemachtigde: mr. A.W. Syrier),
en

de burgemeester van de gemeente Tholen

(gemachtigde: mr. F.S. Helder)
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Stichting Stadlanderuit Bergen op Zoom (Stadlander).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het besluit van de burgemeester van 1 december 2025 om de door betrokkene gehuurde woning aan de [adres] te [plaats] te sluiten voor vier maanden met ingang van 8 december 2025, op grond van artikel 13b van de Opiumwet.
1.1.
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit van de burgemeester en een voorlopige voorziening gevraagd. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter gevraagd het sluitingsbesluit te schorsen totdat op het bezwaarschrift beslist is.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster met betrokkene en haar gemachtigde en de gemachtigde van de burgemeester met [naam 1] . Namens Stadlander is niemand verschenen.
1.3.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de voorzieningenrechter mondeling uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe en schorst het bestreden besluit, tot twee weken na de beslissing op bezwaar. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt
2.1.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemzaak niet.
Toetsingskader
3. De burgemeester is op grond van artikel 13b van de Opiumwet bevoegd een woning te sluiten als in die woning drugs wordt verkocht, wordt afgeleverd of wordt verstrekt of met één van die redenen daar aanwezig is.
3.1.
Bij de beoordeling van het bestreden besluit hanteert de voorzieningenrechter de uitgangspunten die zijn weergegeven in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922. Dat betekent een indringende toetsing van geschiktheid, noodzaak en evenwichtigheid van de sluiting.
Bevoegdheid
4. In de woning van betrokkene zijn harddrugs aangetroffen, te weten 70,78 gram amfetaminepasta. Dit is een forse hoeveelheid die niet bedoeld is voor het eigen gebruik van betrokkene. Dat zij de drugs alleen bewaarde voor de heer [naam 2] , zoals zij beiden hebben verklaard, is niet relevant. De voorzieningenrechter betwijfelt overigens ook of de drugs, gezien de hoeveelheid, waren bedoeld voor eigen gebruik van [naam 2] . In ieder geval staat vast dat de drugs niet voor eigen gebruik van betrokkene waren. Er is dus sprake van een handelshoeveelheid en dit is een hele sterke indicatie dat sprake is van een vorm van handel. De voorzieningenrechter gaat daar dan ook van uit, wat betekent dat de burgemeester bevoegd was tot toepassing van artikel 13b van de Opiumwet.
Geschiktheid
5. De volgende vraag is of sluiting van de woning redelijkerwijs kan bijdragen aan herstel van de onrechtmatige situatie (beëindigen overtreding, beëindigen negatieve effecten van de overtreding) en het voorkomen van herhaling van de overtreding.
5.1.
Daarbij speelt in dit geval het tijdsverloop een grote rol. De drugs zijn op 31 juli 2025 gevonden en de woning is pas op 8 december 2025 gesloten. Daar zit dus ruim vier maanden tussen. Uit de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling blijkt dat niet relevant is aan wie het tijdsverloop te wijten is. Of de burgemeester na ontvangst van de bestuurlijke rapportage voortvarend te werk is gegaan, is dan ook niet van belang.
5.2.
De uitspraak van de Afdeling van 17 december 2025 [1] , waar de gemachtigde van de burgemeester ter zitting naar heeft verwezen, kan de burgemeester niet baten. Daar werd een tijdsverloop van 5½ maand niet te lang bevonden, maar de feiten zijn van een geheel andere orde dan in deze zaak. Het ging daar om in totaal honderden kilo’s verschillende harddrugs (waaronder 49 kilo amfetamine) en een onderzoek door de politie dat nog volop liep ten tijde van de sluiting.
5.3.
De voorzieningenrechter vindt vier maanden erg lang en twijfelt dan ook sterk aan de geschiktheid van de maatregel.
Noodzaak
6. Als de voorzieningenrechter over die twijfel heen zou stappen, twijfelt hij vervolgens ook aan de noodzaak van sluiting. Had niet met een minder ingrijpend middel dan sluiting kunnen worden volstaan, zoals het opleggen van een last onder dwangsom of het geven van een waarschuwing?
6.1.
Er zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter te weinig bijkomende omstandigheden voor een indicatie dat sprake is van daadwerkelijke handel in of vanuit de woning. Er is slechts één melding over dealen, op de dag van de doorzoeking, maar verder zijn er geen meldingen bij de politie of klachten van buurtbewoners over drugshandel of iets dergelijks. Alleen nog een vrij absurde melding van vier jaar geleden, waar ook geen onderzoek op is gevolgd.
6.2.
De burgemeester stelt dat de aangetroffen wapens (een taser in de vorm van een zaklamp en een Cobra 6) een verzwarende omstandigheid vormen. Maar de voorzieningenrechter twijfelt hier sterk aan. Dit zijn weliswaar wapens in de zin van de Wet wapens en munitie, maar wel van een andere categorie dan vuurwapens die normaliter met drugshandel worden geassocieerd. De voorzieningenrechter ziet met name geen direct verband tussen de taser en drugshandel, mede gelet op de redenen die betrokkene heeft gegeven voor de aanschaf daarvan.
6.3.
Ook stelt de burgemeester dat sprake is van een kwetsbaar gebied, maar dat is onvoldoende onderbouwd. Er zijn in vier jaar tijd drie woningen gesloten. Dat is, zonder bijkomende omstandigheden, te weinig om te kunnen spreken van een kwetsbaar gebied.
6.4.
Tot slot speelt ook hierbij het tijdsverloop een rol. Al met al is de voorzieningenrechter van oordeel dat de burgemeester de noodzaak van sluiting niet heeft aangetoond.
Evenwichtigheid
7. Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter nog op dat ook kan worden getwijfeld aan de evenwichtigheid. Een bijzondere binding met de woning is door verzoekster onvoldoende aannemelijk gemaakt: een noodknop en een gehandicaptenparkeerplaats kunnen worden verplaatst. Maar betrokkene is wel een kwetsbare vrouw die door de sluiting haar woning zal kwijtraken en op de zwarte lijst van de woningbouwvereniging komt, zo blijkt uit de correspondentie van Stadlander in het dossier. Uit het bestreden besluit blijkt onvoldoende dat hiermee rekening is gehouden.
7.1.
Ook de duur van de sluiting is hierbij van belang. Volgens het Damoclesbeleid bedraagt die drie maanden. De verlenging naar vier maanden is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende onderbouwd.

Conclusie en gevolgen

8. Al met al heeft de voorzieningenrechter grote twijfel aan de houdbaarheid van het bestreden besluit, zodat het grote belang van betrokkene zeer zwaar weegt. Hij wijst het verzoek daarom toe en schorst het bestreden besluit, tot twee weken na de beslissing op bezwaar. Dit betekent dat betrokkene kan terugkeren naar haar woning.
8.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet de burgemeester het griffierecht aan verzoekster vergoeden.
8.2.
Ook krijgt zij een vergoeding van haar proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster twee punten (verzoekschrift en zitting) met een waarde per punt van € 907,-. Verder komen ook haar reiskosten voor vergoeding in aanmerking. Die bedragen (op basis van openbaar vervoer) € 38,40. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.852,40.
8.3.
Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek toe en schorst het bestreden besluit van 1 december 2025 tot twee weken na de beslissing op bezwaar;
  • bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 194,- aan verzoekster moet vergoeden;
  • veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.852,40 aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2025 door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Panah, griffier. Deze uitspraak zal geanonimiseerd worden gepubliceerd op www. rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.