Op 24 december 2025 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in de zaak tussen eiser, vertegenwoordigd door mr. A. Alam-Khan, en de Dienst Toeslagen. Eiser had beroep ingesteld omdat verweerder niet tijdig had beslist op zijn aanvraag van 9 augustus 2024 voor aanvullende compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De rechtbank oordeelde dat het beroep kennelijk gegrond was en deed uitspraak zonder zitting, zoals toegestaan onder artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank stelde vast dat de beslistermijn van verweerder op 9 augustus 2025 was verstreken en dat eiser op 8 oktober 2025 in gebreke had gesteld. De rechtbank bepaalde dat verweerder uiterlijk op 2 oktober 2026 alsnog een besluit moest nemen en legde een dwangsom op van € 100,- per dag voor elke dag dat de beslistermijn werd overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Daarnaast werd de bestuurlijke dwangsom vastgesteld op € 1.442,-. Eiser kreeg ook recht op vergoeding van griffierecht en proceskosten, die door verweerder moesten worden betaald. De uitspraak werd openbaar gemaakt op 24 december 2025.