ECLI:NL:RBZWB:2025:9320

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
24/3519 WAJONG
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering Wajong-uitkering wegens laattijdige aanvraag en onduidelijkheid over ziekte of gebrek op 18e verjaardag

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 30 december 2025, wordt de weigering van een Wajong-uitkering aan eiser beoordeeld. Eiser, geboren in 1965, had op 24 februari 2022 een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering, welke door het UWV op 21 februari 2023 werd afgewezen. Het UWV stelde dat er op de datum van de aanvraag geen arbeidsvermogen aanwezig was als gevolg van ziekte of gebrek, en dat het niet mogelijk was om te beoordelen of dit ook gold op zijn 18e verjaardag door het ontbreken van relevante gegevens. Eiser was het niet eens met deze afwijzing en voerde verschillende beroepsgronden aan. De rechtbank concludeert dat het UWV op goede gronden de aanvraag heeft afgewezen. De rechtbank oordeelt dat eiser niet voldoende objectieve medische gegevens heeft overgelegd die aantonen dat hij op zijn 18e verjaardag voldeed aan de voorwaarden voor een Wajong-uitkering. De rechtbank volgt de bestendige lijn in de rechtspraak dat bij een laattijdige aanvraag de bewijslast bij de aanvrager ligt. Eiser heeft niet kunnen aantonen dat er op zijn 18e verjaardag sprake was van ziekte of gebrek, en de rechtbank ziet geen aanleiding om het UWV te weerleggen. Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard, wat betekent dat hij geen recht heeft op een Wajong-uitkering.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/3519 WAJONG

uitspraak van 30 december 2025 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser,

(gemachtigde: mr. P.M. Poelman),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV; kantoor Rotterdam), verweerder,
(gemachtigde: mr. H.M. van Gent).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvraag om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht heeft geweigerd een Wajong-uitkering toe te kennen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV op goede gronden eisers aanvraag om een Wajong-uitkering heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Eiser, geboren op [datum] 1965, heeft op 24 februari 2022 een aanvraag gedaan voor een Wajong-uitkering.
2.1.
Met het besluit van 21 februari 2023 (primair besluit) heeft het UWV geweigerd om een Wajong-uitkering toe te kennen. Het UWV stelt dat op de datum van de aanvraag bij eiser arbeidsvermogen ontbreekt als gevolg van ziekte of gebrek en dat dat duurzaam lijkt. Of ook op eisers 18e verjaardag sprake was van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen, kan door gebrek aan gegevens niet worden beoordeeld.
2.2.
Met het bestreden besluit van 7 maart 2024 op het bezwaar van eiser is het UWV bij het besluit tot weigering een Wajong-uitkering toe te kennen, gebleven. Op basis van de aanwezige gegevens kan volgens het UWV niet worden vastgesteld of er sprake is van ziekte of gebrek op eisers 18e verjaardag of later als studerende.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, eisers begeleider van Emergis, de heer [naam 1], en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

Wettelijk kader
3. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Grondslag van het bestreden besluit
4. Aan het bestreden besluit liggen medische onderzoeken van een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar & beroep (verzekeringsarts b&b) ten grondslag.
4.1.
De verzekeringsarts heeft eiser gezien op het spreekuur, hem lichamelijk en psychisch onderzocht, en dossieronderzoek verricht. De verzekeringsarts heeft daarbij onder meer informatie betrokken van psycholoog [naam 2] uit 2022 en van het Schadefonds Geweldsmisdrijven uit 2021. De verzekeringsarts heeft gerapporteerd dat uit onderzoek blijkt dat eiser in zijn jeugd trauma’s heeft opgelopen tijdens zijn verblijf in diverse internaten. Eiser geeft aan sindsdien psychische klachten te hebben zoals somberheid, herbeleving, doodsgedachten en vermijding en dat sprake is van alcohol- en drugsmisbruik. Hij heeft professionele hulp voor die klachten steeds vermeden. Na zijn verblijf in de internaten heeft eiser diverse verblijfplaatsen gehad, in kraakpanden, op boten, in Nederland en in het buitenland. Eiser geeft aan moeite te hebben in de omgang met mensen en met autoriteit. Hij zou daarom geen arbeidsverleden hebben. Eiser heeft enkele relaties gehad maar deze zijn steeds gestrand. Sinds kort woont eiser in een woning. Hij is alleenstaand en zelfstandig. Hij wordt inmiddels ambulant behandeld door de GGZ en heeft recent traumaverwerking gehad. Op het spreekuur zijn er volgens de verzekeringsarts aanwijzingen voor enige cognitieve stoornissen. Eisers zelfverzorging en voedingstoestand zijn matig. Er zijn aanwijzingen voor actief alcoholmisbruik, dat overigens door eiser wordt onderschat. Uit recente informatie van de GGZ blijkt dat er bij eiser sprake is van PTSS met langdurig beloop en sterke aanwijzingen voor een persoonlijkheidsstoornis, gelet op de hechtingsproblemen die in de jeugd zijn ontstaan en nog steeds op de voorgrond treden. Eisers emotieregulatie is beperkt alsmede zijn cognitieve vaardigheden. Op grond van zijn bevindingen vindt de verzekeringsarts dat er bij eiser nu (datum rapport: 11 februari 2023) en ten tijde van de aanvraag geen sprake is van arbeidsvermogen. Het functioneren van eiser lijkt onvoldoende om 1 uur onafgebroken aan een taak te werken gedurende ieder dag 4 uur. Ook werknemers-vaardigheden lijken afwezig. Dit lijkt duurzaam. In hoeverre deze situatie ook bestond op eisers 18e verjaardag is volgens de verzekeringsarts onduidelijk. Het is weliswaar aannemelijk dat er gezien de traumatische ervaringen sprake was van beperkingen maar of dat destijds al heeft geleid tot het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen is onduidelijk omdat eiser zich lang heeft onttrokken aan professionele hulp en hierdoor gedocumenteerde medische informatie over deze periode ontbreekt. Daarom is ook niet te achterhalen in hoeverre er op het 18e jaar reeds sprake was van middelenmisbruik en zo ja wat de invloed daarvan op het functioneren is geweest. Uit recente navraag blijkt ook informatie over het arbeids- en re-integratieverleden niet meer te achterhalen.
4.2.
De verzekeringsarts b&b heeft eiser gezien op de hoorzitting, hem medisch/ psychisch onderzocht en dossieronderzoek verricht. De verzekeringsarts b&b heeft de in bezwaar ontvangen informatie van psycholoog [naam 3] van 5 april 2023, informatie van [naam 4] uit 2023 en van Emergis uit 2023 en 2024 betrokken. De verzekeringsarts b&b heeft gerapporteerd dat, hoewel de primaire verzekeringsarts stelt dat het aannemelijk is dat er gezien de traumatische ervaringen sprake is van beperkingen op de 18e verjaardag, er gegevens ontbreken over de voor de Wajong verzekerde periode waaruit dat blijkt. Het is door het ontbreken van gegevens onduidelijk of er sprake is van ziekte of gebrek op de
18e verjaardag (op [datum] 1983). Uit de brieven van de psycholoog van 15 juni 2022 en 5 april 2023 blijkt dat de diagnoses PTSS, stoornis in alcoholgebruik (ernstig) en stoornis in het gebruik van hypnoticum of anxiolyticum (matig, ernstig) zijn gesteld. Hieruit kan volgens de verzekeringsarts b&b echter niet worden geconcludeerd dat van deze aandoeningen ook al sprake was op de 18e verjaardag. Hoewel duidelijk is dat PTSS, die op latere leeftijd gesteld is, verband houdt met de trauma’s uit eisers jeugd, hoeft dat niet te betekenen dat er ook op 18-jarige leeftijd al sprake was van PTSS. PTSS kan immers snel na de meegemaakte trauma’s ontstaan maar ook pas jaren later. Er zijn geen gegevens beschikbaar uit de voor de Wajong verzekerde periode waaruit blijkt dat er bij eiser op zijn 18e verjaardag sprake was van deze stoornis(sen). Ook zijn er geen gegevens bekend over eisers functioneren in deze periode, waaruit blijkt dat hij toen niet in staat was om gedurende 1 uur aaneengesloten te werken of niet ten minste 4 uur per dag belastbaar was. Overigens zijn de inmiddels vastgestelde stoornissen volgens de verzekeringsarts b&b goed behandelbare aandoeningen, zoals beschreven in de GGZ standaarden (Alcohol/Drugs/ Psychotrauma- en stressorgerelateerde stoornissen) met een redelijk tot goede kans op herstel. Dat deze aandoeningen goed behandelbaar zijn blijkt ook uit het behandelplan van de psycholoog van 5 april 2023 en de behandeldoelen: verwerkt hebben van het traumatisch verleden (herstel dus van de PTSS), controle hebben over het middelenmisbruik (herstel dus van de stoornis in alcoholgebruik en het gebruik van hypnoticum of anxioliticum) en klachtenreductie/stabilisatie. Eiser heeft voor zijn 18e verjaardag of in de voor de Wajong verzekerde periode geen enkele behandeling gevolgd. Als er dus in die periode al sprake zou zijn geweest van beperkingen als gevolg van de stoornissen dan was er geen reden om te stellen dat die beperkingen op dat moment duurzaam waren.
4.3.
De verzekeringsarts b&b heeft in beroep gereageerd op de beroepsgronden en de door eiser overgelegde informatie, waaronder van mevrouw [naam 5]. Of het wel of niet begrijpelijk is gezien de ervaringen van eiser dat hij niet eerder dan meer dan 30 jaar na zijn 18e verjaardag pas in aanraking is gekomen met behandelaren, verandert volgens de verzekeringsarts b&b niets aan het feit dat objectieve medische informatie ontbreekt over de voor de Wajong verzekerde periode. In beroep zijn er ook geen objectieve medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat er bij eiser sprake was van ziekte of gebrek op de 18e verjaardag of later als studerende. [naam 5] is geen medicus en heeft geen BIG-registratie. Zij heeft haar brief ruim 40 jaar na eisers 18e verjaardag geschreven en was niet als hulpverlener betrokken bij eiser op zijn 18e verjaardag. Haar stellingen over de aanwezigheid van psychische stoornissen en het ontbreken van arbeidsvermogen kunnen dus alleen gebaseerd zijn op informatie die zij van anderen (bijvoorbeeld eiser) verkregen heeft.
Standpunt van eiser
5.1.
Eiser stelt – onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 8 april 2015 [1] – dat het UWV zijn aanvraag had moeten toetsen aan de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW).
5.2.
Hij heeft verder gesteld dat er voldoende gegevens beschikbaar zijn op basis waarvan kan worden vastgesteld dat het ook al op zijn 18e verjaardag duurzaam aan arbeidsvermogen ontbrak.
Eiser heeft last van trauma’s, angstaanvallen en herbelevingen. Deze psychische problematiek is ontstaan sinds en door zijn jeugd. De problematiek begon bij zijn geboorte. Hij heeft negen maanden in een ziekenhuis verbleven in afwachting van adoptie met als gevolg dat hij hechtingsproblemen heeft. Daarna verbleef eiser in verschillende internaten waar hij meerdere keren (seksueel) mishandeld is. Niet alleen hebben die ervaringen voor mentale multiproblematiek gezorgd, maar deze hebben ook hun uitwerking gehad op zijn ontwikkeling. Eiser heeft nooit een opvoeding gehad en hij heeft zichzelf alles moet aanleren. Hij is angstig en niet goed in het maken en onderhouden van contacten. Eiser heeft LOM-onderwijs gevolgd vanwege een achterstand in de communicatie met anderen. Hij kon daar niet meekomen. Het ontbreken van bepaalde vaardigheden bestond dus al op vroege leeftijd. Eiser heeft af en toe geprobeerd een baan te vinden maar dat ging niet goed. Eiser heeft bepaalde vaardigheden, zoals lezen, omgaan met de computer en koken, nooit geleerd. Daarbij heeft eiser als gevolg van zijn traumatische jeugd in het verleden cocaïne en heroïne gebruikt met fysieke klachten tot gevolg. Inmiddels is eiser andere middelen gaan gebruiken zoals cannabis en alcohol. Voor deze verslavingen zal hij binnenkort worden behandeld. Verder wordt eiser door de GGZ behandeld voor onder meer PTSS met langdurig beloop.
Uit de medische stukken, met name de brieven van de psychologen en het behandelplan van [naam 2] van 15 juni 2022, maar ook uit de rapportage van de verzekeringsarts b&b blijkt dat eisers problematiek in zijn vroege jeugd is ontstaan en nog altijd doorwerkt. Uit de rapportage van de verzekeringsarts b&b blijkt dat dat heeft geleid tot het ontbreken van allerlei vaardigheden, zoals emotieregulatie en cognitieve vaardigheden, en dat er sterke aanwijzingen zijn voor een persoonlijkheidsstoornis, gezien de hechtingsproblemen die in de jeugd zijn ontstaan en nog steeds op de voorgrond treden.
Het UWV heeft betrokken dat eiser geen hulp heeft gezocht. Dat zou juist tot de conclusie moeten leiden dat eisers situatie sinds zijn 18e verjaardag niet anders was dan nu. Hij is nooit behandeld voor zijn klachten terwijl deze zich sinds zijn geboorte hebben opgebouwd. Eiser heeft er al die tijd alleen voor gestaan en heeft geen hulp gekregen.
Het UWV hecht te veel waarde aan het moment dat het middelengebruik begon terwijl met name moet worden gekeken naar de gevolgen die de PTSS, persoonlijkheidsproblematiek en hechtingsstoornis voor eisers functioneren hebben gehad. Deze psychische problemen zijn sinds eisers geboorte ontstaan, het middelengebruik pas later. Op grond van de medische stukken en rapportages is het volgens eiser duidelijk dat de gevolgen van de traumatische gebeurtenissen, tijdens zijn eerste jaren, al vroeg in zijn jeugd tot uiting kwamen. Eiser stelt dan ook dat op basis van de stukken kan worden geconcludeerd dat hij op zijn
18e verjaardag al duurzaam arbeidsongeschikt was; dat hij toen niet over werknemers-vaardigheden beschikte en dat dat duurzaam was.
5.3.
Eiser verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 februari 2021 [2] . Uit deze uitspraak volgt dat het onder omstandigheden onredelijk kan zijn om het ontbreken van objectieve medische informatie aan betrokkene tegen te werpen. Dit is volgens eiser ook zo in zijn geval.
De medische stukken laten namelijk zien dat er een duidelijk verband is tussen eisers ontwrichtende jeugd en de invloed daarvan op zijn functioneren. Eiser heeft nooit hulp gezocht voordat hij in aanraking kwam met de GGZ na een schietincident. Eiser stelt dat het niet redelijk is dat hem wordt tegengeworpen dat hij over onvoldoende concrete medische gegevens beschikt. Hij heeft tijdens zijn jeugd namelijk een gevoel van wantrouwen jegens instanties ontwikkeld met als gevolg dat hij geen hulp heeft gezocht. Het ontbreken van gegevens houdt direct verband met de extreme leefomstandigheden waarin eiser buiten zijn toedoen verkeerde. Het systeem heeft ervoor gezorgd dat hij jarenlang is ondergebracht bij verschillende internaten en dat hij nadat hij op straat kwam te staan geen hulp heeft gezocht. Het ontbreken van gegevens van de huisarts ondersteunt de stelling dat eiser vanwege zijn wantrouwen geen hulp zocht.
5.4.
Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser een brief overgelegd die hij heeft opgesteld met een bevriende jeugdprofessional ([naam 5]) en die zijn leven tot aan zijn 18e verjaardag beschrijft. Hieruit blijkt dat eiser sinds zijn geboorte zeer traumatische ervaringen heeft meegemaakt die impact hebben gehad op zijn verdere leven. Daarnaast heeft eiser berichtgeving overgelegd over de internaten waar hij heeft verbleven en de misstanden die daar zouden zijn geweest.
Standpunt van het UWV
6.1.
Het UWV stelt in reactie op de beroepsgronden dat het nooit hebben aangeleerd van bepaalde vaardigheden, zoals goed lezen, omgaan met computer en koken, in combinatie met de LOM-school en hij nooit heeft kunnen werken, onvoldoende is om vast te stellen dat sprake is van ziekte of gebrek op de 18e verjaardag. Daarvoor is ook onvoldoende dat eiser tijdens zijn jeugd wantrouwen jegens instanties heeft ontwikkeld waarvoor hij geen hulp zocht.
6.2.
Het UWV stelt dat in beroep geen nieuwe informatie is overgelegd die betrekking heeft op eisers medische toestand op zijn 18e verjaardag. Hoewel het UWV, gelet op het zeer grote tijdsverloop sindsdien, begrip heeft voor de moeilijke bewijsrechtelijke positie van eiser, komt dit voor zijn rekening en risico. Het UWV verwijst eveneens naar de uitspraak van de CRvB van 8 april 2015. Uit deze uitspraak volgt dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat er rond zijn 18e verjaardag sprake was van ziekte of gebrek.
6.3.
Het UWV ziet in de door eiser genoemde uitspraak van de rechtbank Amsterdam geen reden voor een ander standpunt. Die uitspraak is door de CRvB op 12 december 2022 [3] vernietigd. Uit die uitspraak leidt het UWV af dat de medische gegevens inzicht moeten geven in de medische situatie rond de 18e verjaardag en dat het opgroeien in belastende omstandigheden onvoldoende is om vast te stellen dat er sprake was van ziekte of gebrek op de 18e verjaardag.
Oordeel van de rechtbank
7.1.
De rechtbank overweegt allereerst met betrekking tot eisers beroepsgrond dat het UWV ten onrechte niet aan de AAW heeft getoetst, dat hij deze grond – naar aanleiding van vragen van de rechtbank en haar verwijzing naar een uitspraak van de CRvB van 15 mei 2024 [4] – op zitting heeft laten vallen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV eisers aanvraag terecht getoetst aan de Wajong 2015.
7.2.
De rechtbank overweegt verder dat, omdat eiser zijn aanvraag voor een Wajong-uitkering geruime tijd na zijn 18e verjaardag heeft ingediend, sprake is van een laattijdige aanvraag. Volgens vaste rechtspraak draagt de aanvrager in geval van een laattijdige aanvraag de bewijslast om met objectieve medische gegevens aannemelijk te maken dat hij op 18-jarige leeftijd voldeed aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een Wajong-uitkering, omdat het medisch beeld met het verstrijken van de tijd steeds moeilijker is vast te stellen. [5]
Eiser is op [datum] 1983 18 jaar geworden. Dit is dan ook de te beoordelen datum.
Eisers gemachtigde heeft op zitting gewezen op rechtspraak uit 2004 en voordien. Daarin wordt volgens de gemachtigde, alhoewel medisch bewijs ontbreekt, het bewijsrisico vanwege bijzondere persoonlijke omstandigheden niet tegengeworpen. Hij heeft daarbij de vindplaats [kenmerk] genoemd.
Het is de rechtbank niet duidelijk geworden op welke uitspraak de gemachtigde van eiser doelt en zij heeft verder geen relevante, andersluidende uitspraken (voor 2004) kunnen vinden waaruit blijkt dat bij een laattijdige aanvraag de bewijslast niet bij de aanvrager wordt gelegd. Bovendien is er rechtspraak van recentere datum waarin het bewijsrisico wel geldt, ook in uitzonderlijke en belastende gezinsomstandigheden. [6]
Eiser heeft verder gesteld dat hij geen medische stukken kan overleggen omdat hij door terbeschikkingstelling aan de Staat jarenlang in instellingen heeft verbleven.
Deze stelling heeft eiser verder niet onderbouwd en is onvoldoende om ervan uit te gaan dat hij om die reden geen medische informatie kan overleggen. Er is niet dan wel onvoldoende gebleken van een verband tussen eisers terbeschikkingstelling en de belemmering bij het verkrijgen van medische informatie.
De rechtbank ziet dan ook onvoldoende aanleiding om voormelde bestendige lijn in de rechtspraak over de bewijslastverdeling bij een laattijdige aanvraag niet te volgen.
7.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts b&b afdoende gemotiveerd dat het door het ontbreken van gegevens onduidelijk is of er sprake was van ziekte of gebrek op eisers 18e verjaardag en wat de mate van functioneren van eiser toen was/wat de aard en omvang van de mogelijke beperkingen waren.
Alhoewel uit de stukken blijkt dat eiser in 2022/2023 trauma’s en klachten/beperkingen heeft en dat er diagnoses (PTSS en stoornissen in alcoholgebruik en hypnoticum/ anxiolyticum) zijn gesteld, zijn er geen objectieve medische gegevens met betrekking tot eisers 18e verjaardag (op [datum] 1983) in het dossier aanwezig waaruit ziekte of gebrek blijkt of eisers mate van functioneren toen. De meeste stukken zijn van ruim na de datum in geding en bevatten ‘slechts’ een weergave van eisers eigen verhaal. De informatie van het Schadefonds Geweldsmisdrijven ziet wel op de datum in geding, maar is geen stuk van een medicus en ook weer voor een groot deel gebaseerd op eisers eigen verhaal. Dat geldt ook voor de brief van [naam 5]. Op basis van dat verhaal is wel duidelijk dat eiser heel veel is overkomen, maar daarmee is niet duidelijk hoe zijn medische toestand (aard en omvang) op zijn 18e verjaardag was en of er toen sprake was van ziekte of gebrek.
De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat het UWV om die reden eisers aanvraag om een Wajong-uitkering heeft kunnen afwijzen. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat eiser desondanks recht heeft op een Wajong-uitkering.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Eiser heeft als gevolg hiervan geen recht op vergoeding van het griffierecht of de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier, op 30 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: Wettelijk kader

Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)
Artikel 1a:1, eerste lid
Jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen is de ingezetene die:
op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;
na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.
Artikel 1a:1, tweede lid
De ingezetene die op de dag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, wordt alsnog jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond, op de dag, bedoeld in onderdeel a of b.
Artikel 1a:1, derde lid
De ingezetene die tijdelijk geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft wordt alsnog jonggehandicapte, indien hij gedurende een tijdvak van tien jaar volgend op de dag waarop hij jonggehandicapte zou zijn geworden op grond van het eerste lid, onderdeel a of b, of het tweede lid, indien hij duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zou hebben gehad, geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie had.
Artikel 1a:1, vierde lid
Onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben in dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan de situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.

Voetnoten

5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 12 juni 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:1162)
6.De rechtbank verwijst, net als het UWV, naar de uitspraak van de CRvB van 12 december 2022