ECLI:NL:CRVB:2024:958
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing Wajong-uitkering wegens laattijdige aanvraag en niet-duurzame arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering op grond van vermeende duurzame arbeidsongeschiktheid vanaf zijn achttiende verjaardag. Het UWV wees de aanvraag af omdat appellant gedurende ruim 22 jaar heeft gewerkt en het verlies van arbeidsvermogen buiten de verzekerde periode van vijf jaar na zijn achttiende verjaardag valt.
De rechtbank Midden-Nederland heeft het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en het besluit van het UWV in stand gelaten. Appellant stelde dat hij in zijn werk overvraagd was en verwees naar eerdere uitspraken van de Raad die volgens hem tot toekenning van de uitkering hadden moeten leiden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank terecht het toetsingskader van hoofdstuk 1:1a van de Wajong heeft toegepast en dat de aanvraag van appellant te laat is ingediend. De Raad onderschrijft de conclusie dat appellant niet duurzaam arbeidsongeschikt was binnen de verzekerde periode en dat de eerdere uitspraken waarop appellant zich beroept niet vergelijkbaar zijn.
Het hoger beroep wordt verworpen, de weigering van de Wajong-uitkering blijft in stand en appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering wegens laattijdige aanvraag en niet-duurzame arbeidsongeschiktheid.