Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Verloop van de procedure
Standpunten
Overwegingen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene is beboet voor het plaatsen van uitzichtbelemmerende voorwerpen op de voorruit en zijruiten van een voertuig op 30 maart 2024 te Terneuzen. Tegen deze administratieve sanctie is beroep ingesteld bij de officier van justitie, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens is beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De gemachtigde van betrokkene voerde aan dat de proceskostenvergoeding geen redelijke tegemoetkoming vormt en dat de toegepaste wegingsfactor onevenredig is ten opzichte van andere zaken. De officier van justitie verwees naar een arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2025, waarin werd bevestigd dat de toegepaste wegingsfactor niet leidt tot ongerechtvaardigde ongelijke behandeling.
De kantonrechter oordeelde dat de verminderingsfactor van 0,25 terecht is toegepast conform artikel 13a, tweede lid, Wahv. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en onevenredigheid faalde wegens gebrek aan concrete onderbouwing. De proceskostenvergoeding van €78,- is correct vastgesteld. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete wordt ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.