Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 25 november 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een verkeersboete. De betrokkene had een administratieve sanctie opgelegd gekregen voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op de Kempenbaan te Tilburg op 15 maart 2023. De betrokkene heeft tegen de beslissing van de officier van justitie, die het beroep ongegrond verklaarde, beroep ingesteld bij de kantonrechter. Tijdens de zitting op 25 november 2025 zijn de gemachtigde en de betrokkene niet verschenen, maar de zittingsvertegenwoordiger van de officier van justitie was aanwezig.
De gemachtigde heeft in het beroepschrift aangevoerd dat er sprake is van schending van de hoorplicht, omdat de betrokkene niet is gehoord door de officier van justitie. De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht om de boete te matigen met 25% vanwege deze schending en ook vanwege een overschrijding van de redelijke termijn. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de hoorzitting inderdaad achterwege is gelaten en dat de redelijke termijn is overschreden, waardoor de boete met 25% is gematigd. De kantonrechter heeft de beslissing van de officier van justitie gewijzigd en de boete vastgesteld op € 213,75, met terugbetaling van een te veel betaald bedrag aan de betrokkene.
De proceskosten zijn ook vergoed, met uitzondering van de kosten gemaakt in de fase van het administratief beroep bij de officier van justitie. De uitspraak is openbaar gedaan en de betrokkene heeft de mogelijkheid om binnen 6 weken hoger beroep in te stellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.