Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2025:9696

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
10983215 \ MB VERZ 24-272
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1.1 RVArt. 6 EVRMWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke toewijzing beroep tegen verkeersboete wegens onvoldoende lichtdoorlatendheid voorruit

Betrokkene kreeg een boete opgelegd omdat de lichtdoorlatendheid van de voorruit van zijn voertuig minder dan 55% bedroeg. Betrokkene stelde dat hij niet met een voertuig reed dat niet aan de eisen voldeed en betwijfelde de betrouwbaarheid van het meetapparaat, dat mogelijk een lege batterij had.

De rechtbank oordeelde dat uit het dossier, met name de verklaring van de verbalisant, voldoende blijkt dat de gedraging heeft plaatsgevonden. De kantonrechter verwierp de twijfel over het meetapparaat omdat de meting duidelijk en uitgebreid was vastgelegd. Tevens is volgens vaste jurisprudentie niet vereist dat de overtreding tijdens het rijden wordt geconstateerd.

Er was echter sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van meer dan tien maanden tussen het opleggen van de boete en de behandeling van het beroep. Daarom matigde de rechtbank de boete met 25%. Daarnaast werd een proceskostenvergoeding toegekend aan betrokkene.

De officier van justitie werd opgedragen het te veel betaalde bedrag aan zekerheidstelling terug te betalen. De beslissing van de officier van justitie werd gewijzigd en de boete verlaagd tot € 187,50 plus administratiekosten.

Uitkomst: De boete wegens onvoldoende lichtdoorlatendheid is met 25% gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Zittingsplaats Tilburg
zaaknummer.: 10983215 \ MB VERZ 24-272
CJIB-nummer: [cjib-nummer]
uitspraakdatum: 25 november 2025
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam :
[betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : [gemachtigde]

Verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 25 november 2025. Namens de officier van justitie is verschenen [zittingsvertegenwoordiger] (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde is ook verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.

Standpunten

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: de lichtdoorlatendheid van voorruit/voorste zijruit(en) bedraagt minder dan 55% op de Midden-Brabantweg te Tilburg op 7 januari 2023 om 12:50 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de gedraging niet is verricht. Gelet op artikel 5.1.1. eerste lid, aanhef en onder c RV, kan een sanctie voor dergelijke gedragingen alleen worden opgelegd indien de bestuurder gereden heeft met een voertuig dat niet voldoet aan de in de afdelingen 2 tot en met 17 van hoofdstuk 5 RV gestelde eisen. In onderhavig geval moet daarom uit het dossier blijken dat betrokkene heeft gereden met een voertuig dat is voorzien van lichtdoorlatende voorruiten/zijruiten onder de 55%. Daarnaast stelt betrokkene dat het meetapparaat ten tijde van de vermeende gedraging niet goed werkte. Verbalisant gaf aan betrokkene aan dat de batterij van het apparaat vervangen diende te worden. Ten tijde van de meting knipperden de cijfers. Zodoende twijfelt betrokkene aan de correctheid van de meetapparatuur en daardoor aan de correctheid van de meting. Betrokkene verzoekt dan ook de inleidende beschikking te vernietigen. Voorts verzoekt gemachtigde een proceskostenvergoeding. Ter zitting heeft gemachtigde hieraan toegevoegd dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. De sanctie dient met 25% gematigd te worden.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De zittingsvertegenwoordiger verwijst naar ECLI:NL:GHARL:2024:4757, en stelt dat voor de vaststelling van de gedraging niet is vereist dat de gedraging tijdens het rijden wordt geconstateerd. De gedraging kan dan ook voldoende worden vastgesteld. Wel is er sprake van overschrijding van de redelijke termijn, waardoor de zittingsvertegenwoordiger verzoekt de sanctie met 25% te matigen.

Overwegingen

Inhoudelijk
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. Daarnaast stelt de kantonrechter vast dat hetgeen de gemachtigde naar voren brengt, geen (gerede) twijfel doet ontstaan omtrent de betrouwbaarheid van het door de verbalisant gebruikte meetmiddel, temeer nu duidelijk en uitgebreid is geverbaliseerd hoe en wat er is gemeten.
De kantonrechter is vervolgens onder verwijzing naar ECLI:NL:GHARL:2025:1649, van oordeel dat voor de vaststelling van de gedraging niet vereist is dat de gedraging tijdens het rijden wordt geconstateerd. De constatering dat de lichtdoorlatendheid van de voorruit, waar de betrokkene als bestuurder in reed, minder dan 55 % bedraagt is eerst na staandehouding gedaan. Hieruit volgt dat het niet anders kan zijn dan dat de lichtdoorlatendheid van de voorruit ook ten tijde van het aan de staandehouding voorafgaande rijden minder dan 55 % bedroeg. De boete is dus terecht opgelegd.
Overschrijding redelijke termijn
Iedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.
In dit geval is de boete opgelegd op 7 januari 2023 en is de redelijke termijn dus met tien maanden overschreden.
Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Proceskosten
Ook zal de kantonrechter een proceskostenvergoeding toekennen, die als volgt is berekend:
beroepschrift kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 907,- = € 453,50
zitting kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 907,- =
€ 453,50
€ 907,00

Beslissing

De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 187,50, plus € 9,- administratiekosten;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 62,50, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.M. Speekenbrink, kantonrechter, bijgestaan door de griffier L.I.M. Appels, en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2025.
Als u het niet eens bent met deze beslissing , dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:
de boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 90008, 4800 PA Breda. Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.
U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Datum verzending: