ECLI:NL:RBZWB:2025:9712

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
25/1979 WETKB
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • T. Peters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 AwirArt. 5a AwrArt. 1 WkbArt. 150 Boek 1 BWArt. 169 Boek 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling toeslagpartnerschap bij herziening voorschot kindgebonden budget 2024

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de herziening van de voorschotbeschikking van het kindgebonden budget over 2024, omdat zij het niet eens is met de aanmelding van haar echtgenoot als toeslagpartner tot 1 augustus 2024.

De rechtbank stelt vast dat eiseres en haar echtgenoot sinds 1993 gehuwd zijn en dat het eerste verzoek tot echtscheiding in 2017 is afgewezen, waardoor het huwelijk formeel in stand bleef. Het tweede verzoek tot echtscheiding is pas op 17 juli 2024 ingediend, waardoor de echtgenoot tot 1 augustus 2024 als toeslagpartner geldt.

Eiseres voerde aan dat er geen gezamenlijke huishouding was en dat zij zelfstandig woonde en een bijstandsuitkering ontving, maar de rechtbank volgt de vaste jurisprudentie dat het wettelijke partnerbegrip objectief wordt vastgesteld op basis van het huwelijk en het moment van het echtscheidingsverzoek.

De rechtbank concludeert dat de Dienst Toeslagen het bestreden besluit zorgvuldig heeft genomen en niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de echtgenoot tot 1 augustus 2024 toeslagpartner is.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/1979 WETKB

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

Dienst Toeslagen (voorheen Belastingdienst/Toeslagen), verweerder.

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de herziening van de voorschotbeschikking van het kindgebonden budget van eiseres over het jaar 2024. Eiseres is het niet eens met de herziening van de voorschotbeschikking. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de Dienst Toeslagen op goede gronden de [toeslagpartner] als toeslagpartner van eiseres heeft aangemerkt.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen [toeslagpartner] op goede gronden als toeslagpartner van eiseres heeft aangemerkt
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 18 februari 2025 (bestreden besluit) over de herziening van de voorschotbeschikking van het kindgebonden budget over het jaar 2024.
De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 21 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de zoon van eiseres en de gemachtigde van eiseres. Namens de Dienst Toeslagen waren aanwezig mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden
2. Uit de gegevens van de Basisregistratie personen (Brp) blijkt dat eiseres en [toeslagpartner] vanaf [datum ] 1993 zijn gehuwd.
Met het besluit van 28 december 2023 heeft de Dienst Toeslagen aan eiseres een voorschot kindgebonden budget 2024 (€ 6.610,-) toegekend. Het voorschot is gebaseerd op een aanvrager zonder toeslagpartner en is verhoogd met de tegemoetkoming voor alleenstaande ouders (Alo-kop).
Bij brief van 15 augustus 2024 vraagt de Dienst Toeslagen aan eiseres om bewijsstukken van de scheiding op te sturen.
Op 2 oktober 2024 heeft eiseres stukken overgelegd waaruit blijkt dat op 17 juli 2024 een verzoek tot echtscheiding bij deze rechtbank is ingediend.
Met het besluit van 22 november 2024 (primair besluit) wordt het voorschot kindgebonden budget herzien naar € 4.432,-. Hierbij is [toeslagpartner] aangemerkt als toeslagpartner van eiseres voor de periode van 1 januari 2024 tot 1 augustus 2024. Eiseres heeft over deze periode geen recht op de Alo-kop. Ook wordt het geschatte toetsingsinkomen van [toeslagpartner] in aanmerking genomen bij de berekening van het kindgebonden budget over deze periode. Dit leidt tot een terug te vorderen bedrag van € 1.627,-.
Eiseres heeft op 24 december 2024 bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Met het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Het bestreden besluit
3. De Dienst Toeslagen heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat [toeslagpartner] op goede gronden is aangemerkt als de toeslagpartner van eiseres over de periode van 1 januari 2024 tot 1 augustus 2024. Eiseres was tot 21 november 2024 nog getrouwd met [toeslagpartner] en volgens de wet is de persoon met wie zij getrouwd is haar toeslagpartner. Uit de door eiseres overgelegde informatie blijkt dat zij pas op 17 juli 2024 een verzoek heeft gedaan bij de rechtbank om te scheiden. Daarom is [toeslagpartner] tot
1 augustus 2024 haar toeslagpartner en is de toeslag aangepast. Als eiseres een toeslagpartner heeft, dan heeft zij geen recht op verhoging van het kindgebonden budget voor alleenstaande ouders. Zij heeft de verhoging wel ontvangen en moet de teveel ontvangen toeslag terugbetalen.
Beroepsgronden
4. Eiseres is van mening dat de Dienst Toeslagen [toeslagpartner] ten onrechte heeft aangemerkt als toeslagpartner voor het kindgebonden budget in de periode van
1 januari 2024 tot 1 augustus 2024. Er is geen sprake van een gezamenlijke financiële of gemeenschappelijke huishouding tussen haar en [toeslagpartner] . Ter onderbouwing van dit standpunt voert eiseres aan dat zij sinds maart 2018 zelfstandig de huur betaalt voor haar woning en dat zij sinds juli 2018 een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder ontvangt. Daarnaast heeft de Dienst Toeslagen eiseres in 2023 wel als alleenstaande aanvrager zonder toeslagpartner aangemerkt bij de definitieve berekening van haar zorgtoeslag. Om die reden is het bestreden besluit in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Ten slotte is het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat de Dienst Toeslagen onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de feitelijke situatie van eiseres.
Oordeel van de rechtbank
5. Niet in geschil is dat eiseres en [toeslagpartner] op [datum ] 1993 gehuwd zijn en dat eiseres op 17 juli 2024 een verzoek tot echtscheiding heeft ingediend bij de rechtbank.
Toeslagpartner
6.1.
Het kindgebonden budget is een financiële bijdrage van het Rijk in de kosten voor kinderen, waarbij de hoogte afhankelijk wordt gesteld van de draagkracht. Een ouder die geen partner heeft, heeft aanspraak op een verhoging van het budget. Het regime van de Awir is van toepassing op het kindgebonden budget. [1]
6.2.
In artikel 3 van Pro de Awir is bepaald dat een partner degene is die op grond van artikel 5a van de algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) als partner wordt aangemerkt. Een echtgenoot of echtgenote wordt op grond van artikel 5a, eerste lid, van de Awr als partner aangemerkt en dus ook op grond van de Awir als toeslagpartner.
6.3.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft de wetgever bij de vormgeving van het wettelijk partnerbegrip gekozen voor een regeling waarbij - uit een oogpunt van een eenduidige uitvoering van de inkomensafhankelijke regelingen - op grond van objectiveerbare gegevens door de Dienst Toeslagen kan worden vastgesteld of een belanghebbende een partner heeft. Bij de verwerking van een aanvraag om toeslagen betrekt de Dienst Toeslagen automatisch de beschikbare informatie uit de Brp. [2]
Is [toeslagpartner] op goede gronden als toeslagpartner van eiseres aangemerkt in de periode van 1 januari 2024 tot 1 augustus 2024?
7.1.
In artikel 5a, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awr, voor zover hier van belang, is geregeld dat een persoon voor de zorgtoeslag niet meer als partner wordt aangemerkt vanaf het moment dat een verzoek om echtscheiding is gedaan.
7.2.
Ter zitting heeft eiseres verklaard dat zij in 2017 al een verzoek om echtscheiding bij de rechtbank heeft gedaan en ter onderbouwing heeft zij een aantal stukken overgelegd. Uit deze stukken volgt dat het echtscheidingsverzoek van eiseres (d.d. 27 december 2017) bij beschikking van 25 oktober 2019 door de rechtbank (Team Familie- en Jeugdrecht) is afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is met de afwijzing van het echtscheidingsverzoek het huwelijk tussen eiseres en [toeslagpartner] in stand gebleven. Om die reden moet [toeslagpartner] na de beschikking van 25 oktober 2019 weer als toeslagpartner van eiseres worden aangemerkt. Hij is toeslagpartner gebleven tot het moment waarop eiseres een tweede echtscheidingsverzoek heeft gedaan, op 17 juli 2024. De Dienst Toeslagen heeft derhalve op grond van de voornoemde wettelijke bepaling terecht vastgesteld dat de [toeslagpartner] pas op 1 augustus 2024, de eerste dag van de maand volgend op het tweede echtscheidingsverzoek, niet langer als haar toeslagpartner kan worden aangemerkt.
7.3.
Dat geen sprake was van een gezamenlijke financiële of gemeenschappelijke huishouding tussen eiseres en [toeslagpartner] maakt dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling [3] niet anders. Bepalend is dat eiseres pas op 17 juli 2024 een verzoek om echtscheiding bij de rechtbank heeft ingediend en zodoende een toeslagpartner had voor de periode van 1 januari 2024 tot 1 augustus 2024. Artikel 3, eerste lid, van de Awir laat de Dienst Toeslagen geen ruimte om rekening te houden met de redenen waarom eiseres en haar toeslagpartner niet samenleven. [4]
7.4.
De Dienst Toeslagen heeft [toeslagpartner] op grond van de hiervoor genoemde bepalingen en gelet op de datum van het indienen van het echtscheidingsverzoek, dan ook terecht tot 1 augustus 2024 als toeslagpartner van eiseres aangemerkt.
Rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel
8. Mede gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende gesteld of gebleken is dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is genomen of in strijd is met de rechtszekerheid.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is op 18 december 2026 gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J.J. van Roij, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De rechter is buiten staat om te tekenen.
griffier
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet inkomensafhankelijke regeling
Artikel 1, derde lid
Onder inkomensafhankelijke regelingen worden verstaan bij of krachtens wet vastgestelde regelingen die natuurlijke personen aanspraak geven op een financiële bijdrage van het Rijk in kosten of bijdrageverplichtingen, waarbij de hoogte van de bijdrage in die regelingen afhankelijk is gesteld van draagkracht.
Artikel 3, eerste lid
Partner van de belanghebbende is degene die ingevolge artikel 5a, eerste lid en derde tot en met zevende lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen als partner wordt aangemerkt. Artikel 2, zesde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing.
Algemene wet inzake rijksbelastingen
Artikel 5a, eerste en vierde lid
1. Als partner wordt aangemerkt:
de echtgenoot;
de ongehuwde meerderjarige persoon waarmee de ongehuwde meerderjarige belastingplichtige een notarieel samenlevingscontract is aangegaan en met wie hij staat ingeschreven op hetzelfde woonadres in de basisregistratie personen of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende registratie buiten Nederland.
3. In afwijking van het eerste lid wordt een persoon niet meer als partner aangemerkt ingeval:
een verzoek, zoals bedoeld in artikel 150, respectievelijk 169 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek tot echtscheiding, respectievelijk tot scheiding van tafel en bed is ingediend, en
hij niet meer op hetzelfde woonadres in de basisregistratie personen of een daarmee naar aard en strekking overeenkomende registratie buiten Nederland staat ingeschreven als de belastingplichtige.
Wet op het kindgebonden budget
Artikel 1, eerste lid, sub b en tweede lid
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
b. kindgebonden budget: een financiële bijdrage van het Rijk in de kosten voor kinderen (…)
2. De hoogte van het kindgebonden budget is afhankelijk van de draagkracht op basis van het inkomen en het vermogen.

Voetnoten

1.Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1729, r.o. 3.1.
2.Bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 6 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2397 en van 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3481.
3.Bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3481 en van 4 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3013.
4.Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3481.