Belanghebbende is in 2018 vanuit Nederland naar België verhuisd en hield toen een aanmerkelijk belang in zowel een Nederlandse als een Belgische vennootschap. De inspecteur legde een conserverende aanslag op over een fictieve vervreemding van het aanmerkelijk belang in de Belgische vennootschap.
Belanghebbende betwistte de heffingsbevoegdheid van Nederland, stellende dat het belastingverdrag tussen Nederland en België dit verbiedt en dat België heffingsrecht heeft over de aandelen in de Belgische vennootschap. De rechtbank onderzocht de tekst en toelichting van het belastingverdrag en het eerdere arrest van de Hoge Raad uit 2009.
De rechtbank concludeert dat Nederland op grond van artikel 13, lid 4 van het verdrag heffingsbevoegd is over de waardeaangroei van het aanmerkelijk belang die zich voordeed terwijl belanghebbende binnenlands belastingplichtig was. Artikel 13, lid 5 regelt slechts de situatie van aandelen in Nederlandse vennootschappen en voorkomt dubbele belasting, maar wijzigt niets aan het heffingsrecht bij emigratie.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de conserverende aanslag terecht is opgelegd. Belanghebbende krijgt geen teruggaaf van griffierecht of proceskostenvergoeding.